Aansluiting BO-VO
Annotaties
Ben Wilbrink
Zie ook overgangen.htm, voor meer algemene aspecten, bijvoorbeeld testgebruik, rond de overgang bo-vo (en andere overgangen).
Bart Dirks en Martin Sommer hebben met minster Plasterk een gesprek gehad. Grote kop op de voorkant van De Volkskrant van 5 december 2008: Plasterk wil kind later schoolsoort laten kiezen.. Dat is een interessante stellingname. Niet dat Plasterk meteen een stelselherziening wil doorvoeren, dat is het laatste waaraan hij denkt, maar een maatschappelijek discussie over de problematiek lijkt hem heel opportuun, gezien de grote problemen zoals niet afgemaakte opleidingen, die zeker ook met de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs hebben te maken. Iedereen heeft er op 5 december wel een mening over. Op Radio 1 Wim Meijnen: laat scholen pas na het tweede leerjaar mogen selecteren, dan kun je al een hoop bereiken, zonder enige stelselwijziging. Interessant idee, maar het kan bijvoorbeeld voor categoriale gymnasia wel tot enige chaos leiden. Voor een formeel stuk over de gedachten van deze minister, waaronder ook het idiote argument dat aanscherpen van eindexamen leidt tot meer kwaliteit, zie de brief aan de Tweede Kamer http://www.minocw.nl/documenten/86038.pdf. [Idioot? Ja. Want ergens moet er een punt zijn waar verder 'aanscherpen' van eindexamens geen verhoging van kwaliteit meer levert, al was het maar omdat geen enkele leerling zich nog aan die beproeving wil blootstellen. Als dat is toegegeven, is de vervolgvraag: waar ligt dat optimale punt dan? Welke aanwijzingen zijn er dat de huidige 'scherpte' van het eindexamen dat optimum niet is? Zie, zo gaat dat. Had bèta Plasterk toch zelf ook kunnen bedenken. Zie ook mijn pagina html over het voorstel van Van Bijsterveldt over schriftelijk en schoolexamen]
Maurice Crul publiceert half december vergelijkende cijfers over de onderwijsloopbanen van tweede generatie Turkse jongeren in een aantal Europese landen. De Volkskrant van 6 december 2008 loopt er alvast op vooruit met een staatje dat laat zien dat vroege of late selectie een enorme impact op die loopbanen kan hebben: Duitsland selecteert bij tien jaar, 7% gaat door naar hoger onderwijs; Frankrijk selecteert bij vijftien jaar, 47% gaat door naar hoger onderwijs. Het zijn internationale vergelijkingen, en die zijn allesbehalve makkelijk en eenduidig, maar zulke grote verschillen moeten er toch op duiden dat Nederland met een scherpe selectie bij twaalf jaar het niet echt goed kan doen. De doorstroom van deze tweede generatie Turkse jongeren naar het hoger onderwijs in Nederland valt dan nog verschrikkelijk mee, want 28%. Ik ben benieuwd of daar het MBO is meegerekend, dat in internationale vergelijkingen vaak als tertiair onderwijs geldt.
De Open Schoolgemeenschap Bijlmer website is een school die werkt langs de lijnen die Plasterk nu kennelijk in gedachten heeft. Saskia Grotenhuis is directeur, zij schreef o.a. Op zoek naar middelbaar onderwijs: HBS, gymnasium, MMS en lyceum in discussie tussen 1900 en 1970. [bespreking door Peter Baggen]
Er zit zeker een historische dimensie in het thema aansluiting bo-vo, laten we zeggen na WO II: kwaliteit en kwantiteit van de doorstroming naar vervolgonderwijs, sociale mobiliteit. Er zijn ongetwijfeld een vijftigtal publicaties die zo'n historische schets geven. Het zou aardig zijn daar een overzicht van te geven, met een analyse in de veranderingen in maatschappelijke, politieke en wetenschappelijke visie op de groeiende deelname aan onderwijs, de mate waarin leerlingen terechtkomen in het vervolgonderwijs dat bij hun belangstelling en capaciteiten past, sociale mobiliteit, en veranderingen in de sociale structuur zelf van de samenleving (ontzuiling). Ik heb iets dergelijks eens gedaan voor de voorloper van de Onderwijsraad en voor OC en W, samen met Jaap Dronkers, maar dan voor het hoger onderwijs: html
Een heel ander thema is de selectie zelf, selectie-technisch gezien. Dat is een ingewikkeld probleem. Om te beginnen is het geen selectie, maar toewijzing of allocatie naar het best passende vervolgonderwijs. Wat 'best passend' is, heeft ook te maken met latere selectieve momenten, naar MBO, HBO en WO, of tussentijdse switches naar ander voortgezet onderwijs. Technisch gezien is er dan sprake van een gefaseerd meervoudig selectieproces. Dat proces is nauwelijks of helemaal niet in (wiskundige) formules of modellen te vangen (maar zie Finney 1965, er is weinig of geen nieuws onder de zon ....), maar het kan wel worden gesimuleerd. Ik heb zo'n oefening wel eens gedaan, voor de veel eenvoudiger situatie van toelatingsselectie tot de Nederlandse Politieacademie html evaluatie selectie - pdf simulatierapport. Ik kan je verzekeren dat die simulatie uniek was en nog steeds is in de wereld van psychologische selectie. Het lijkt de moeite waard een poging te doen de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs in zo'n simulatie te vangen. Als dat lukt, dan kunnen ook varianten van selectiviteit worden gesimuleerd, en dus de mogelijke effecten van verschillende selectieve scenario's met elkaar worden vergeleken.
D. J. Finney (1965). The statistical evaluation of educational allocation and selection. In Lee J. Cronbach and Goldine C. Gleser (1965). Psychological tests and personnel decisions (182-233). Urbana, Illiois: University of Illinois Press. [Er is niets online van dit werk van Finney, of het book van Cronbach en Gleser. Universiteitsbibliotheken moeten het boek hebben]
Conrector Paul Teillers van het Hervormd Lyceum West in Amsterdam. "Er gaat zo veel mis met die Citotoets, zegt hij. Hij heeft het nog eens nagekeken voor zijn eindexamenkandidaten vwo van vorig jaar. Van de 30 kandidaten waren er zes jaar eerder maar 9 van de basischool gekomen met een Citoscore voldoende voor toelating tot het vwo. 14 zaten in de 'bespreekzone', en 7, ofwel een kwart van zijn klas, zouden aan de hand van Cito nooit het vwo hebben gezien. Het advies van de basisschool was overigens nauwelijks betrouwbaarder. Van de dertig vwo-ers waren er drie met vmbo-advies van de basisschool gekomen, 14 met havo-advies en 13 met vwo-advies."
Gerard Reijn (7 maart 2008). De Citotoets geeft nog vaak een verkeerd advies. De Volkskrant p. 2
Het casus in bovenstaande box is ongetwijfeld niet representatief voor Nederland in zijn geheel, waarschijnlijk heeft het in deze vorm de krant gehaald omdat het opvallende cijfers zijn. Maar toch, het geeft aan overtrokken de bestaande opvattingen zijn dat die overgang van basis- naar vervolgonderwijs via schooladvies en Citoscore wel goed zou verlopen. Niet, dus. Gerard Reijn geeft vervolgens nog een illustratie hoe het in Amsterdam vergaat met leerlingen met een sterk uiteenlopend schooladvies en Citoscore, voor die leerlingen heeft de gemeente een extra traject voor de schoolkeuze. Van de 167 die via bureau Atlas-hertest in 2006 naar het hogere schooltype gingen, gaat het met 149 leerlingen goed bij die keuze.
Ik vind een aantekening uit 1996:
- ... bij enkele recente (1994-1996) onderzoeken naar selectiviteit in het vo en bij de overgang van bo naar vo; die onderzoeken zijn zeer oppervlakkig bezig met inventariseren van wat er gebeurt, zonder te letten op de juistheid van beslissingen die worden genomen. Er zijn zelfs geen gegevens over de betrouwbaarheid van beslissingen uit te halen, dus laat staan over de validiteit. Terwijl het toch zo eenvoudig is; wanneer een psycholoog voor die beslissingen verantwoordelijk zou zijn, zou hij/zij die goed moeten kunnen onderbouwen. Welke gegevens zouden daarvoor dan nodig zijn, en werken scholen daar dan ook mee? Nee dus. Maar waarom dat dan niet uit deze kostbare onderzoeken geconcludeerd? Het wordt tijd om daar eens een vinnig overzichtsartikel aan te gaan wijden.
F. Roels en Joh. van der Spek (1921). Handleiding voor psychologisch onderzoek op de school. 's-Hertogenbosch: Malmberg.
- Met 36 tests, hun afname, normen, literatuur. Maar dat is het dan ook, 200 bladzijden lang. Waar dit alles toe kan dienen, welke beslissingen of adviezen of diagnostiek op basis van deze onderzoekjes mogelijk zijn ...... het lijkt allemaal van geen belang. Het verzamelen van de gegevens moet alleen al enorm bevredigend zijn geweest, los van wat er zinvol mee valt te doen. Het past waarschijnlijk bij de tijdgeest (vergelijk de Amerikaanse euforie over schooltests begin 20e eeuw: Ellen Condliffe Lagemann (2000). An elusive science: The troubling history of education research. University of Chicago Press.
G. Révész (1927). De schifting van leerlingen voor de middelbare scholen en de resultaten op de hoogere-burgerscholen. Kritische en statistische bijdrage ter aanvulling van mijn geschrift 'De overgang van het lager naar het middelbaar onderwijs.' Groningen: Wolters. 47 blz brochure
De Commissie van Onderzoek en Advies inzake de aansluiting van lager en voortgezet onderwijs, benoemd door burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (1928). De aansluiting van lager en voortgezet onderwijs. Groningen: Wolters.
B. A. Prinsen (1935). Intellectmetingen bij kinderen. Bijdrage tot een vergelijkend onderzoek van stad en platteland. proefschrift Utrecht.
William McClelland (1942/1949). Selection for secondary education. London: University of London Press. third impression of original text
H. W. F. Stellwag (1955). Selectie en selectiemethoden. Een inleidende studie in het aansluitingsvraagstuk L.O. en V.H.M.O. Groningen: J. B. Wolters.
- selectie bij overgangen in het onderwijs; intelligentietests; vorderingentests; toelatingsexamen; proefklas; advies van het schoolhoofd
- Nogal beschrijvend van karakter, enorm omvangrijk. Geen kwantitatieve of technisch-methodologische benadering van het vraagstuk. Dat is ook de reden dat ik dit boek weliswaar al ontzettend lang in de boekenkast heb, maar er zelden of nooit iets uit heb gebruikt.
- Als je dit boek doorbladert, word je er toch wel een beetje somber val: zoveel werk, zoveel tijd en middelen hieraan uitgegeven, en wat is er de waarde van zo'n halve eeuw later? Dit soort werk bouwt dus niet op, het levert geen stevige inzichten op, het doet kennelijk ook niets aan de verspreiding van de toch altijd nog wel ruimschoots onder wetenschappers aanwezige inzichten over selectie etcetera.
Nuttin, J. ; Swinnen, K. (1956). Overgang naar het middelbaar onderwijs. Leuven (Louvain), Universitaire Uitgaven, [1956]. [ Niet in UB Leiden, nog niet gelocaliseerd]
Sies Wiegersma (1959). Belangstellingsonderzoek bij de differentiatie na de lagere school. Proefschrift Amsterdam (promotor: A.D. de Groot).
De selectie en ontwikkeling der meer begaafden. Een goede doorstroming van begaafdheden naar intellect, technisch vermogen en karakter, een eis van de moderne democratie. Rapport van de 12de studieconferentie, november 1962. Stichting Werkcomité voor Opvoeding tot Democratie. (i.a. Van Heek, Het begaafdheidsprobleem als opgave voor de democratie. 41-52; Rutten, Het nationale aspect voor Nederland, 61-72; de Coster, Het nationale aspect voor België, 73-88)
S. Wiegersma, M. Swiebel , M. Groen en I. Dommerholt (zonder jaar; 1963?). School en toekomst - Beelden van de ontwikkelingsgang van kinderen gedurende de puberteit. Haarlem: De Toorts.
- In dit onderzoek zijn 165 leerlingen van zesde klassen werkelijk uitvoerig onderzocht: meerdere intelligentietests, persoonlijkheidstests van bedenkelijke (projectieve) kwaliteit, persoonlijke gesprekken en wat niet al. Dat laatste ook met onderwijzers en ouders. Deze leerlingen zijn in hun leven - schoolloopbaan is een te smal begrip hier - zo'n zes jaar intensief gevolgd, voor 130 van hen zijn deze gegevens volledig. Het boek geeft voor ieder van deze 130 leerlingen een verbaal profiel, en de IQ-scores. In beknopte registers zijn schoolcarriès aangegeven, en de overeenstemming van prognose met schoolresultaten: voor 69 leerlingen is deze 'goed', voor 35 'matig', voor 20 'slecht' en voor 6 'onbeslist.' Wat mag een mens anders verwachten?
Is er van dit onderzoek inderdaad ook het beloofde technische rapport verschenen? Mogelijk is het technische rapport in eigen beheer uitgegeven door het Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde (sectie schoolpsychologie), waarvan TNO Leiden de opvolger is. Ik vermoed, dat is na te kijken, dat de promotie van M. Groen, 1967, het wetenschappelijke verslag is (zie bij Groen).
Philip Max van der Heijden (1953). Begaafdheid en beroep. Een psychodiagnostische en sociaal-psychologische studie. Groningen: Wolters.
- intelligentie - erfelijkheid - persoonlijkheid - mobiliteit - sociale klassen
- Het omvangrijke boek gaat vooral over begaafdheid (intelligentie), en wat dat maatschappelijk betekent.
Sies Wiegersma (1959). Belangstellingsonderzoek bij de differentiatie na de lagere school. Proefschrift Amsterdam.
- Het proefschrift gaat natuurlijk vooral over de Nederlandse versie van de BeroepenInteresseTest (BIT). Daarnaast bevat het een schat aan informatie over de overgang van basisonderwijs naar beroep. Wiegersma overschat de waarde van BIT, zoals hij in zijn afscheidsrede (UvA) in algemene zin over dit soort instrumenten constateert.
Knocke 1964, opnieuw afgedrukt in Ingenkamp 1971 Die Fragwürdigkeit der Zensuren Gebung: 236. (voorspelling van studiesucces in vwo).
Coleman, James S. (1965). Adolescents and the schools. New York: Basic Books.
- >p. 78: "With its grading system the school creates what an economist would call a 'free-market' situation, with each student a competitor against all his classmates for scholastic position."
A. A. van Wijnkoop (1965). Verder leren. Een sociologisch onderzoek naar de differentiële deelneming van sociale milieus aan de diverse schoolsoorten van voortgezet onderwijs. Groningen: Wolters. proefschrift Universiteit van Amsterdam, met stellingen.< Ook uitgegeven door Wolters, in de Mededelingen van het Nutsseminarium voor Pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam (#71).
A. Dirkzwager (1966). Intelligentie en schoolprestaties. Een empirisch onderzoek. Amsterdam: Swets & Zeitlinger. Proefschrift.
- (genoemd door Bos, 1974) Maakt gebruik van gegevens voor de normering van de DAT verzameld bij representatieve steekproeven middelbareschoolleerlingen)(p. 15: het blijkt om behoorlijke aantallen leerlingen te gaan, gebruikt als basis voor factoranalyses)(p. 21: 'Het gaat ons bij de bepaling van de schoolprestatie juist om die beoordeling van de leerlingen welke zijn schoolloopbaan, zijn schoolsucces, bepaalt: het oordeel van de docent(en) over de leerling zoals dat in het rapportcijfer tot uiting komt.
Coetsier, L. e.a. (1966). Analyse van en predictiemogelijkheden met een differentiele geschiktheidsbatterij voor de overgang van het lager naar het secundair onderwijs. Mededelingen van het Laboratorium voor Toegepaste Psychologie en de Dienst voor Studieadvies bij de Rijksuniversiteit te Gent.
M. Groen (1967). De voorspelbaarheid van schoolcarrières in het voortgezet onderwijs. Groningen: Wolters.
- Enkele longitudinale studies van vijftiger-jaren groepen; proefschrift, promotor A. D. de Groot; gebruikt o.a. Cronbach & Gleser (1965) als methodologische basis]
Lang, G. (1968). Het gebruik van schoolkeuze-adviezen. Een bijdrage tot de evaluatie van het school- en beroepskeuzewerk. proefschrift Universiteit van Amsterdam.
- Het gaat in dit onderzoek om van alles en nog wat rond de advisering en opvolging daarvan, maar dus niet over de voorspellende geldigheid.
D. D. Fillis (1969). Sex differences and the individual school in the prediction of success and failure in the first year of secondary school. dissertation University of Amsterdam.
- p. 93: "... een oriënterend onderzoek (...) over het verband tussen een aantal min of meer op schoolwerk lijkende opgaven enerzijds, en schoolsucces anderzijds. (...) Tevens zou de testbatterij, indien een positief verband mocht worden gevonden, na een analyse van de betrouwbaarheid, kunnen worden gebruikt voor de predictie van schoolsucces, voorzover de psycholoog na de invoering van het brugjaar hieraan tenminste nog behoefte heeft." "... succes gedefiieerd als het bevorderd worden van de eerste naar de tweede klas binnen hetzelfde schooltype;"
- Fillis doet vreemde dingen,, weilswaar onder het toeziend oog van Vuyk, Wiegersma en Vastenhouw, maar toch. Een groep leerlingen die op de vijf tests scores halen die geen voorspelling van succes toelaten, blijft buiten beschouwing. Voor de overigen valt er dan op basis van de testscores wel wat te voorspellen. Dat haalt je de koekoek, maar de hamvraag is natuurlijk of die voorspelling nog iets toevoegt aan wat leraren en leerlingen zelf al wisten. Er is ijverig gewerkt, maar dit materiaal geeft inzicht in helemaal niets, helaas.
N. Deen (1969). Een halve eeuw onderwijsresearch in Nederland. Groningen: Wolters-Noordhoff. (ook als Proefschrift Uva / Mededelingen nr 76 Nutsseminarium)
Bos, D. J. (1974). Schoolkeuze-adviezen. Resultatencontrole na vijf jaar.. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam (proefschrift). Den Haag: Mouton.
- Conclusies zijn ondoorzichtig geformuleerd. 50% van de adviezen komt oveeen met het resultaat na vijf jaar, maar wat betekent dat precies? Vgl. wat ik in 1977 heb geschreven in Toegankelijkheid: dat over voorspellende waarde van de Cito-toets eigenlijk niets bekend is. Bos geeft in dit proefschrift wel resultaten, maar zou dat kunnen kwalificeren als een onderzoek naar validiteit? De periode is in ieder geval interessant genoeg.
- p. 106: "Ongeveer vijf jaar na het verlaten van de lagere school stemt het bereikte schoolniveau in ongeveer 50% van de gevallen overeen met het (door de adviseur voorspelde) niveau. De correlatie (voor de hele range van zesde-klassers die v.o. gaan volgen) tussen prognoses en feitelijke prestaties bedraagt .69 à .75 ([par] 6.1)"
Er is in die tijd in de 20e eeuw nog sprake van ongelijke behandeling van meisjes:
"Bij de voorspelling van schoolprestaties is de overeenstemming tussen adviseur en onderwijzer bij jongens groter dan bij meisjes; bij de laatsten is het oordeel van de onderwijzer wat gematigder dan het oordeel van de adviseur. We concluderen, dat meisjes nog meer worden onderschat door de onderwijzer dan door de adviseur ([par] 6.3)."
Over psychologische tests (waar de Cito eindtoets basisonderwijs in feite ook onder gerangschikt moet worden):
"Tests die een goede bijdrage kunnen leveren voor het voorspellen van schoolsucces zijn tests betreffende de verstandelijke prestaties en de attitude ten aanzien van dit soort prestaties. Bij het meten van deze prestaties zijn, in de huidige onderwijspraktijk, schoolvorderingentests ons inziens veelal de aangewezen middelen ([par] 7.5)."
Opmerkelijk:
"De wens van de ouders is een belangrijke indicator voor het voorspellen van schoolsucces. ([par] 7.4)." en ook
"Hoewel milieu en leeftijd (bij toetreding tot het voortgezet onderwijs) nog wel samenhang vertonen met schoolprestaties ziet het er naar uit, dat de relevantie van deze variabelen de laatste jaren afneemt ([par] 7.4)."
J. L. Peschar (1975/1987). Milieu, school, beroep. Een achteraf-experiment over de periode 1958-1973 naar de invloed van het milieu op school- en beroepsloopbaan. Proefschrift Groningen.
- Bescheiden onderzoek naar onderwijsloopbanen van leerlingen uit hogere milieus vergeleken met die uit lagere, bij gelijke leeftijd en intelligentie (rond eind lagere school).
- Jules Peschar vindt aanzienlijke verschillen, denk dan aan het verschil tussen ULO en HBS, bij gelijke capaciteiten. En dat is eerder een onderschatting van milieuverschillen dan een precies beeld. Hij schat in dat voor jongere lichtingen, dus na de mammoeth-Wet, die verschille niet kleiner zijn geworden. Maar hij gaat niet in op maatschappelijke veranderingen, zoals de omvang van de lagere milieus t.o.v. de hogere die in de loop der tijd geringer wordt.
- Op basis van interviews concludeert hij dat (ouders van) leerlingen uit hogere milieus vaker een hogere voortgezette opleiding kiezen dan is geadviseerd, en dat deze leerlingen langer op school blijven ook wanneer zij minder goed presteren. Dat is dan overeenkomstig wat Franse sociologen als Bourdieu krachtig hebben uitgedragen (sociaal kapitaal), maar daar verwijst Peschar niet naar.
- Interessant aan onderzoek zoals dit is dat de ongelijke kansen voor leerlingen uit verschillende milieus niet zozeer hebben te maken met het onderwijsstelsel of kenmerken van het onderwijs, maar met kennis en opvattingen van de ouders, dus milieu. Dat is niet onbelangrijk voor ministers zoals Plasterk die over de kwaliteit van onderwijsloopbanen een maatschappelijke discussie willen aangaan. Peschar gaat een tikje kort door de bocht door te spreken over het milieu dat ongelijkheid veroorzaakt, maar zo gaat dat natuurlijk niet: 'het milieu' is geen ding of persoon die iets kan veroorzaken.
- Een ander probleem met dit type onderzoek is het impliciete waarde-oordeel dat de zo geconstateerde 'ongelijke kansen' een maatschappelijk kwaad zijn. Daar past toch wel enige nuance bij, bijvoorbeeld de nuance die in het proefschrift van Jan Brands (1992) is te vinden
Henk Blok en W. E. Saris (1980). Relevante variabelen bij het doorverwijzen na de lagere school; een structureel model. Tijdschrift voor Onderwijsresearch, 5, 63-79.
- p. 78: "Uit het feit dat de score op de Cito-toets een uiterst klein effect heeft op de plaatsing, menen wij te kunnen afleiden dat plaatsingscommissies geen beslissingen baseren op de toetsscore alleen. Via het tweede advies oefent de Cit-score nog enige indirecte invloed uit op de plaatsing, maar ook dit effect (.016) is zeer gering. Blijkbaar voegt de toetsscore nauwelijks nog iets toe aan de informatie over schoolprestaties en voorspelde toetsscore die reeds in de adviezen en de aanmelding verwerkt zijn. Als gevolg daarvan concluderen wij dat de invloed van de score op de toets tijdens de LO-VO overgang verwaarloosbaar klein is. Dit betekent niet dat de toets zelf geen invloed heeft op de LO-VO overgang. Want van de door de leerkracht verwachte score op de toets blijkt een grotere invloed uit te gaan. Via dit direct effect van predictie op advies 1 heeft de Cito-toets een invloed op de uiteindelijke plaatsing die niet verwaarloosd kan worden (.228). Het merkwaardige feit doet zich dus voor dat de toets wel enige invloed heeft op de overgang, niet via de behaalde maar via de verwachte score."
- Het eerste advies van de school is dus beïnvloed door wat men denkt dat de Cito-toets aan cognitieve vaardigheden toetst. b.w.
- p. 78: "Tot slot merken wij op dat de invloed van schoolprestaties gedurende de gehele overgang erg groot is. Zowel de beslissingen van onderwijzers als van ouders als van toelatingscommissies blijken voor het grootste deel direct dan wel indirect gebaseerd te zijn op de schoolprestaties van leerlingen. Alleen in het eerste advies en de aanmelding is nog ruimte aanwezig voor directe effecten van andere variabelen. Over de identiteit van deze variabelen levert ons onderzoek geen aanwijzing op. Het lijkt echter niet onwaarschijnlijk dat het gaat om kwaliteiten als ijver, motivatie, doorzettingsvermogen en de eigen wens van de leerling."
- Een leuk rijtje variabelen is dat trouwens: merk op dat geen van die variabelen een 'competentie' is (als ik even mag voorwenden dat 'competentie' een helder afgebakend begrip zou zijn). b.w.
Peter G. J. Cremers (1980). Konstruktie van een schaal voor bereikt niveau van voortgezet onderwijs (B.N.V.O.-schaal). Tijdschrift voor Onderwijsresearch, 5, 80-91.
- p. 90: "Concluderend kan gesteld worden dat men, op de in de voorafgaande paragrafen beschreven wijze ontwikkelde en gekonstrueerde BNVO-schaal (...), in staat is aan de schoolresultaten in het voortgezet onderwijs numerieke waarden toe te kennen die gebruikt kunnen worden als kriteriumscores. (...)"
- Nee, er is niet onderzocht of de zo geschaalde onderwijsresultaten voorspelbaar zijn met de I.S.I.-interesse test, of met de Cito-toets of het advies van de lagere school. Jammer.
- Cremers noemt een mij onbekend onderzoek: P. van Weeren (1968(. Generatie onderzoek 1965: een inventarisatie van de capaciteiten en van de belangstelling van leerlingen in het zesde leerjaar van het basisonderwijs. Nederlands Instituut voor Praeventieve Gezondheidszorg, TNO, werkgroep Onderwijsresearch, Leiden.
- Nog een mij onbekend onderzoek: H. van Dijk (1977). De relatie tussen intelligentie en schoolsukses. Beroepskeuze. Tijdschrift voor school-, studie- en beroepskeuzevoorichting met de aanverwante gebieden, 24, 197-215, 242-258.
J. J. Hermans (1981). Niet-voortgezet onderwijs. Voortijdig schoolverlaten in het algemeen voortgezet onderwijs. Omvang, aard en voorspelbaarheid. Lisse: Swets & Zeitlinger. [IJverig proefschrift, bevat geen relevant materiaal, weggegooid]
Michiel A. Zwarts (1983). Criteriumtoetsen bij de aansluiting van primair en secundair onderwijs. Proefschrift RUU.
Paul Tesser (1986). Sociale herkomst en schoolloopbanen in het voortgezet onderwijs. Nijmegen: ITS.
- Tesser behandelt heel veel in weinig bladzijden, maar het blijft de eenzijdigheid van de socioloog. Helemaal gek word ik daarvan. Geen helder antwoord op de vraag of op 12-jarige leeftijd schoolloopbanen voorspelbaar zijn, en zo ja, of het dan beter kan dan met de huidige technieken. Het is een verward onderzoek, of een verwarde onderzoeker, die werkelijk geen enkele aandacht heeft voor de leesbaarheid van zijn onderzoekrapport. Toch zijn sommige uitspraken wel heel duidelijk: wanneer leerlingen uit lagere sociale milieus op school minder presteren dan leerlingen uit hogere, dan ligt dat aan milieufactoren; dit is dus de tabula rasa theorie
-
p. 149-150: "Op het gevaar af al te zeer te simplificeren kunnen we zeggen dat kinderen uit lagere herkomstgroepen in het basisonderwijs minder goed leren rekenen en zich minder goe taalvaardigheden eigen maken dan kinderen uit hogere herkomstgroepen. Waar dat aan ligt kan op basis van de hier gerapporteerde onderzoeksgegevens niet gezegd worden. Pogingen tot verklaring worden onder meer gegeven door Jungbluth (1984), die het zoekt in een naar milieu gedifferentieerd onderwijsaanbod en Meijnen (1984) die wijst op negatieve effekten van een minder prestatiegericht schoolklimaat.
- Mogelijk wijst Jungbluth nog wel op de mogelijkheid van deels erfelijke bepaaldheid van verschillen in intelligentie, Meijnen doet dat zeker niet, en Paul Tesser vindt die mogelijkheid kennelijk irrelevant of beseft niet dat dit een mogelijke verklaring voor in ieder geval een deel van het gesignaleerde verschijnsel is. Sociologen zijn op dit voor het Nederlandse onderwijsbeleid zo belangrijke punt unverfroren gelovers in de tabula-rasa theorie: iedereen wordt gelijk geboren, verschillen zijn milieu-bepaald. Dit sociologisch onderzoek wordt daarom ten onrechte door velen als 'wetenschappelijk' gezien.
- Een deel van de intelligentieverschillen is genetisch bepaald, en het vervelende daarvan is dat maatschappelijke mobiliteit mede op basis van intelligentie-verschillen uiteindelijk resulteert in een maatschappij waarbij sociale gelaagdheid sterker dan bijvoorbeeld begin 20e eeuw samengaat met gemiddelde verschillen in intelligentie. Er is met andere woorden een bovengrens aan wat via onderwijs valt te 'repareren' aan verschillen in tellectuele capaciteiten. Het is dus zaak in de gaten te houden hoe dicht die bovengrens is genaderd, en dat is nu een idee volkomen vreemd aan Paul Tesser, evenals aan Wim Meijnen.
- p. 153: "Bereikt onderwijsniveau in het voortgezet onderwijs hangt niet alleen samen met sociale herkomst maar ook door [sic] met reken- en taalvaardigheid bij aanvang. In alle groepen met uitzondering van de havo-groep is er een signifikant effekt van CITO-toetsscore op voorlopig eindniveau." Tesser bedoelt dat de Cito-toets dat eindniveau voorspelt (statistisch significant), wat mij nog niets zegt over de voorspellende waarde zelf. Spreken over 'effekt' van Cito-toetsscore is een slip-of-the-pen, zal ik maar zeggen. Ik ben al zuur genoeg geweest.
T. André (1987). Het schoolkeuzeadvies doorgelicht; onderzoek naar het verband tussen het advies, de keuze van de leerling en het schoolresultaat. Heymans Bulletins, 863-SW
Paul Davis Chapman (1988). Schools as sorters. Lewis M. Terman, Applied Psychology, and the Intelligence Testing Movement, 1890-1930. New York University Press.
- p. xiii: "Historical studies of testing have concentrated extensively on leadership and ideology. Few have examined how and why intelligence tests and classification systems were actually introduced into the schools and what differences they made in the lives of students. This book seeks to address these needs by providing a comprehensive understanding of how testing and classification became a permanent part of the American educational system."
J. H. Uiterwijk (1990). Item- en testbias in de Eindtoets Basisonderwijs 1987. Arnhem: Cito.
W. Zijlmans (1991). Strategieën in schoolklasinteractie: Een waarnemingsinstrument geëvalueerd. proefscrift KU Nijmegen. OOMO/ITS.
- Het onderwerp van dit proefschrift is eigenlijk selectie, en daarvan het selectieve proces zoals dat in het onderwijs zelf gebeurt, dus in de klas. De benadering is sociologisch, maar dan nog: kan interessant zijn.
Jan Brands (1992). Die hoeft nooit meer wat te leren. Levensverhalen van academici met laaggeschoolde ouders. Nijmegen: SUN.
- Hierin systematisch aandacht voor completen onderwijsloopbanen van een bijzonder soort: met een enorme sprong van ouderljk milieu naar academisch milieu, en ook wat dat in menselijk opzicht betekent.
Uulkje de Jong (1992). De loopbaan doorlopen. Keuze en selectie tijdens de loopbaan van basisonderwijs tot Open Universiteit. Proefschrift UvA. Amsterdam: SCO.
B. F. M. Bakker en P. G. J. Cremers (1993). Gelijke kansen in het onderwijs? Een vergelijking van vier cohorten leerlingen in hun overgang naar het voortgezet onderwijs. CBS. Paper ORD.
- "De schoolprestaties aan het einde van de lagere school zijn in vijfentwintig jaar niet van groter belang geworden voor de keuze in het voortgezet onderwijs."
M. Koeslag en J. Dronkers (1994). Overadvisering en de schoolloopbanen van migrantenleerlingen en autochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs. Tijdschrift voor Onderwijsresearch, 19, 240258.
H. Uiterwijk (1994). De bruikbaarheid van de Eindtoets Basisonderwijs voor allochtone leerlingen. Proefschrift. Arnhem: Cito. http://cito.nl/po/lovs/eb/eb_onderzoek/Cito_Samenvatting_proefschrift_H_Uiterwijk.pdf [dode link? 1-2009] samenvatting pdf
Derriks, M., De Kat, E., & Deckers, P. (1995). Schoolkeuzemotieven van kinderen bij de overgang bo/vo. Amsterdam: SCO-KI.
- p. 76-77 over advies, kiezen (ruim een kwart kiest een hoger schooltype dan geadviseerd), en Cito-toets (die volgens de auteurs te laat resultaten oplevert). O ja: de Cito-score leidt nogal eens tot bijpassing naar beneden, en dat is heel zorgelijk, maar jammer genoeg signaleren de auteurs het grote risico van die handelwijze niet. De stilzwijgende veronderstelling is dan dat die Cito-score perfect betrouwbaar en valide is! Allerlei motieven voor de keuze zijn gevraagd. 'Net als hun kinderen vinden ouders de motievenschaal 'pedagogisch-didactische aanpak' het belangrijkste, maar veel meer dan hun kinderen letten zij bij de keuze ook op het regiem op de vo-school. Zij hechten er meer dan hun kinderen aan dat er op de vo-school controle is op het maken van huiswerk, de leervorderingen en spijbelen.
Eric Haas (1995). Op de juiste plaats. De opkomst van de bedrijfs- en schoolpsychologische beroepspraktijk in Nederland. Hilversum: Verloren. (books.google)
- 5. De problematische overstap: de aansluiting tussen lager en voortgezet onderwijs. (158-204) Eric Haas beschrijft in kort bestek de geschiedenis van het gedonder en de het overheidszwalken vanaf eind 19e eeuw waar het gaat om de overgang vaan voortgezet onderwijs. Het opvallende fenomeen, waar Posthumus in 1940 zijn belangrijke artikel in De Gids over zou schrijven, is dat de toelating tot het voortgezet onderwijs evident niet kon verhinderen dat er enorm hoge percentages zittenblijvers in alle jaren van het VO waren te zien, en dus ook enorm veel leerlingen die de eindstreep niet konden halen. Eric Haas geeft overgens geen psychologische analyse van dit fenomeen, voorzover ik heb gezien. Een grondige analyse (psychologisch, sociologisch) zou best eens op kunnen leveren dat al dat doubleren en leerlingen zo de school uittreiteren, heel weinig met capaciteiten, talenten en inspanningen heeft te maken, maar meer een (school-)cultureel fenomeen is, ingebed in een sterke standenmaatschappij, etcetera. Dat zou dan geheel in lijn zijn met het door psychologen zo vaak geconstanteerde fenomeen dat er geen natuurlijk einde komt aan selectie en wat leken als mogelijkheden voor nog weer verdergaande selectie zien.
- p. 200-1: "Naast het—nauwelijks in de openbaarheid komende—verzet tegen de toenemende invloed van de wetenschappers op het onderwijs, ontstond er in de loop van de tijd kritiek op bepaalde typen tests waarmee het onderwijs werd geconfronteerd. Met name ontstond er kritiek op de plannen tot algemene invoering van objectieve school- en studietoetsen, het meerkeuzevragen-systeem en de gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking ervan. De kritiek hierop van onderwijzers werd voornamelijk in de dagbladpers geuit (...), hierbij ondersteund door pedagogen als Post en Stellwag in Het Schoolblad (...). De Groot begon een uitgebreide voorlichtingscampagne om het onderwijs te overtuigen van de noodzaak van prestatietoetsen. Immers, de termen meten, toets, objectiviteit en betrouwbaarheid behoorden volgens hem niet tot het vakjargon van het onderwijs (...).
In verschillende publikaties en voordrachten probeerde De Groot deze bezwaren te ontzenuwen, hierbij wijzend op het feit dat kritiek nu eenmaal past in een democratie en dat angst een slechte raadgever is in een democratische samenleving (...). (...) De besprekingen en lezingen verliepen in zeer emotionele sfeer, omdat leerkrachten bang waren hun autonomie te verliezen en omdat voortaan scholen onderling vergeleken zouden kunnen worden op de prestaties van de leerlingen en daarmee op de kwaliteit van het geboden onderwijs (...)." - Ik teken nog maar eens hierbij aan: Het voorgaande betreft de zestiger jaren. In het voorgaande decennium was een groot onderzoek naar het lager onderwijs in Noord Brabant gedaan, waaruit zonneklaar en verpletterend naar voren kwam dat de kansen in het lager onderwijs extreem ongelijk verdeeld waren. Het was juist om op die heel ongelijke kansen voor overigens gelijk begaafde kinderen (vooral ook: verschillen tussen jongens en meisjes) greep te krijgen, dat 'objectieve studietoetsen' een belangrijke rol zouden moeten krijgen. In de 21e eeuw is wat ongelijke kansen betreft de situatie radicaal verbeterd, al zijn er nog steeds ernstige problemen bijvoorbeeld voor leerlingen met Nederlands als tweede taal. b.w.
K. Tj. Bos, L. M. C. M. Cremers-Van Wees en E. Lugthart(1996). Selectie en verwijzing in de eerste fase voortgezet onderwijs. Leerwegen, keuze- en seelctiemomenten en begeleiding van het keuzeproces. Enschede: OCTO. Deel 1: Uitkomsten. Deel 2: Schoolportretten. isbn 9036508487. (246, 44 + 346 bladzijden) Het rapport zal lastig te vinden zijn; de KB heeft een exemplaar in depot. Excuus: de KB mist deel 1.
- Deze publicatie is ooit online beschikbaar geweest, maar 11-2008 onvindbaar op de site van de UT, evenals het OCTO zelf.
- Dit is een ongelooflijk uitvoerig rapport, over een heel tijdsintensief onderzoek. Zo'n 23 scholen zijn intensief besproken met contactpersonen, en daarvan is uitvoerig verslag gedaan. Deel 2 geeft inderdaad uitvoerige schoolportretten voor ieder van deze 23 scholen.
- Het rapport is van belang omdat het voor het Nederlandse VO een tijdopname geeft van ongeveer alles wat er speelt bij selectie en begeleiding van leerlingen in de eerste leerjaren.
- Vluchtig doorbladeren leert dat scholen en docenten heel erg druk bezig zijn met allerlei normen, cijfergeven, lerarenvergaderingen, besprekingen hier en besprekingen daar, regels voor cijfergeven en soms geen regels voor cijfergeven. Dan is het voor een kritische onderwijsonderzoeker opvallend wat er ontbreekt: iedere poging om het eigen handelen bij selectie, verwijzing en begeleiding kritisch te toetsen tegen wat er uiteindelijk in de verdere loopbaan van de betrokken leerlingen gebeurt. Ik wil niet suggereren dat scholen eigenlijk allerlei experimenten op zouden moeten zetten, integendeel, maar het minste is toch wel dat bijgehouden wordt of de vooronderstellingen bij al die beslissingen achteraf ook een beetje blijken te kloppen. Er is toch een geweldige kritische massa van intellect aanwezig in al die scholen, zou je zeggen, dus iemand zou wel eens op het idee gekomen moeten zijn dat er follow-up gegevens nodig zijn om een klein beetje een indruk te krijgen of men er met al die beslissingen en adviezen niet te vaak naast zit, of misschien te vaak er helemaal naast zit. Dubbel-blind onderzoek zou beter zijn, zeker, maar vraag gewoon eens na, na twee of drie jaar, waar die leerlingen dan zitten, wat hun ervaringen zijn geweest, en of zij het idee hebben goed te zijn geadviseerd, terecht te zijn weggeselecteerd, etcetera.
- Dit lijkt dus heel sterk op de door Alfred Wald verslagen grote bijeenkomst over het zittenblijven (Een jaartje overdoen) waar ook duizend opvattingen bleken te bestaan over het fenomeen en wat juist handelen zou zijn, zonder melding te maken van ook maar enige empirische check op al dat laten doubleren/overgaan.
Frederick Mosteller, Richard J. Light and Jason A. Sachs (1996). Sustained inquiry in education: lessons from skill grouping and class size. Harvard Educational Review, 66, 797-842.
- Indrukwekkend artikel. Skill grouping: research ontbreekt voornamelijk, en wat er is levert geen eenduidige resultaten. "Since tracking (or skill grouping, as the authors prefer to call it) is widely used in U.S. schools, the authors expected to find a wealth of evidence to support the efficacy of the practice. Surprisingly, they found only a handful of well-designed studies exploring the academic benefits of tracking, and of these, the results were equivocal."
- "With regard to class size, the authors describe the Tennessee class size study, using it to illustrate that large, long-term, randomized controlled field trials can be carried out successfully in education. The Tennessee study demonstrates convincingly that student achievement is better supported in smaller classes in grades K-3, and that this enhanced achievement continues when the students move to regular-size classes in the fourth grade and beyond."
H. Uiterwijk en T. Vallen (1997). Onderzoek naar bias voor allochtone leerlingen in de Cito-Eindtoets Basisonderwijs. Pedagogische Studiën, 74, 21-32.
Marian Van Dyck (Red.) (1997). Toegankelijkheid van het Nederlandse onderwijs. Studies Den Haag: Onderwijsraad.
- Helaas niet op de website van de Onderwijsraad beschikbaar. Wel beschikbaar is het door Ben Wilbrink geschreven samenvattende hoofdstuk, op het thema 'meritocatie: Terugblik op toegankelijkheid: meritocratie in perspectief. (p. 341-384) html
Gaillard, J-M. (1997). Le temps du 'certif' : oh ! les beaux jours? Le Monde de l'Éducation, janvier 1997, 12-13.
- Naar aanleiding van Carpentier, Claude (1996). Histoire du certificat d'études primaires. Éditions L'Harmattan. Het gaat om een soort afsluitend examen, Cito-toets, voor het primair onderwijs, ingesteld in 1866 en afgeschaft in 1989. Lang niet iedereen haalde dat examen, zelfs in 1965 was dat maar 64,5 %. Een ander interessant punt is de inhoud van dat examen. Au cÏur du dispositif, précisé dès l'arrêté du 16 juin 1880, ,, la dictée d'orthographe de vingt-cinq lignes ou plus pouvant servir d'épreuve d'écriture >>. Elle est je juge de paix : 'Plus de cinq fautes entraînent l'élimination.' ... après 1918, l'élargissement de la gamme des épreuve et quelques accommodements avec la rigueur républicaine permettront d'en assouplir l'usage, et d'augmenter taux de réussite et promotion sociale.
Cor Sluijter (1998). Toetsen en beslissen: Toetsing bij doorstroombeslissingen in het voortgezet onderwijs. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. http://download.citogroep.nl/pub/pok/dissertaties/ps-cor.pdf [dode link? 1-2009]
- p. 141: " ... de ontwikkeling van plaatsingstoetsen voo het ondersteunen van doorstroombeslissingen aan het einde van het derde leerjaar van de havo en het vwo."
- Bij plaatsingstoetsen gaat het natuurlijk om de mate waarin de toetsen 'goed' plaatsen. Sluijter heeft als criterium: leerlingen die zonder vertraging in het vijfde leerjaar van havo of vwo terecht kwamen, waren 'succesvol.' Anderen (afgestroomd, blijven zitten, onderwijs verlaten) dus niet. Sluijter concludeert uit het onderzoek dat het voorspellend vermogen van de toetsen beperkt is. "De scores op de twee toetsen voor Engels bleken zelfs nauwelijks een unieke bijdrage te leveren aan het voorspellend vermogen van de instrumentaria."
- Sluijter laat zich niet uit het veld slaan door zijn teleurstellende resultaten: (p. 142) "Het voorspellend vermogen van tests ten aanzien van studiesucces blijkt steevast gering."
- Sluijter betrekt een en ander niet op het vorospellend vermogen van de Cito Basistoets, maar je mag daarvoor het ergste vrezen. Mijn inschatting is dat de plaatsingstoetsen van Sluijter een eenvoudiger taak hebben te vervullen dan waar de Cito Basistoets voor wordt gebruikt (en waar hij niet voor is ontworpen). En die eenvoudiger taak kunnen ze niet aan. De meerwaarde van de plaatsingstoetsen weegt niet op tegen de ermee verbonden kosten.
- Sluijter vindt behoorlijke verschillen tussen scholen. Dat is toch interessant: wanneer scholen zo verschillend zijn in hun beoordeling van leerlingen, hoe kan dan die landelijke Cito Basistoets daar een goede voorspelling van leveren? Niet dus, zou ik menen. Waar blijft nu het definitieve onderzoek naar de voorspellende waarde van de belangrijkste 'plaatsingstoets' die we in ons land hebben, de Cito Basistoets? De gegevens in het VOCL-cohort zouden alle antwoorden moeten kunnen leveren. Waarom is die publicatie er (nog) niet, of heb ik hem gemist?
Centraal Bureau voor de Statistiek (....). DocumentatierapportVoorgezet Onderwijs Cohort Leerlingen (VOCL) 1999V4. pdf
- Dit is een beschrijving van het databestand van het VOCL-cohort dat in 1999 is gestart.
- De Cito Basistoets zit in dit bestand: totaalscore, taalscore, rekenenscore, informatiescore.
H. Kuyper, M.P.C. van der Werf, M.J. Lubbers (2000). Motivation, Meta-Cognition and Self-Regulation as Predictors of Long Term Educational Attainment. Educational Research and Evaluation, 6, 181-205. abstract
- Een interessante en in onderwijsresearch zelden gemaakte opmerking betreft de categorie-fout dat verschillen tussen studenten worden bestudeerd, in plaats van die binnen (individuele) studenten. Het is een methodologisch probleem dat onderzoek naar de voorspellende waarde van het advies of van een prestatietoets aan het eind van het basisonderwijs aardig kan verzieken. Daarom een lang citaat uit de discussie van dit artikel: p. 201: "Besides past performance, achievement motivation and fear of failure, the meta-cognitive and self-regulation variables also play a role, as was expected from theory. At the VWO level cognitive strategy use contributes significantly to the prediction of achievement, as does meta-cognitive strategy use. The latter variable has a negative beta-weight. At the HAVO level homework approach contributes significantly to the prediction of achievement, albeit negatively.
Most of these results with respect to meta-cognition and self-regulation are contrary to the (well-established) results of other research. One explanation may be found in the specificity of the variables.(...)
Another explanation is that the relation between meta-cognition and self-regulation variables holds for individual students but not in a between-students analysis Ð since most students use the learning and homework strategies they need in order to obtain satisfying results. The more intelligent students use Ð or can afford to use Ð more efficient strategies, that is less time-consuming meta-cognitive and self-regulation strategies. An illustration of this argument is the weak relation between homework time and achievement. Although this result is found in other studies as well, it seems to contradict educational theory in which the relation between time-on-task and achievement is established beyond doubt. Keith (1982) has shown that as students spend more time on their homework, given their intelligence, they obtain higher grades. But the more intelligent students need less time to obtain the same or even higher grades than the less intelligent ones. So, as most Dutch students probably use an optimalization strategy of spending about enough time in order to obtain sufficient grades (instead of trying to obtain high grades), in a between-students analysis the relation between homework time and grades may be zero, or even negative. "
Greetje van der Werf (2002). Het succes van de middelbare scholier. Het interne rendement van het voortgezet onderwijs. Didaktief & School, nr. 6, juni 2002, 30-32. Rapport: M. P. C. van der Werf, M. J. Lubbers, en H. Kuyper (2002). Rendementsanalyses VOCL '89: het intern rendement van het voortgezet onderwijs. Groningen: GION.
- Advies De relatie tussen het onderwijsadvies dat een leerling van de .basisschool heeft gekregen, het al dan niet behalen van het diploma, en de hoogte van het behaalde diploma zegt iets over het persoonlijke succes van de leerling in het voortgezet onderwijs. Ongediplomeerd schoolverlaten komt het vaakst voor onder leerlingen met de laagste adviezen (ivbo, ivbo/vbo en vbo). Deze leerlingen zijn dus het minst succesvol in het voortgezet onderwijs. Maar ook de leerlingen die wel een diploma hebben behaald, realiseren lang niet altijd het niveau dat op grond van het basisschooladvies verwacht mocht worden. Bijna 60 procent van de leerlingen behaalt het diploma dat overeenkomt met het advies dat ze van de basisschool hebben gekregen. Echter, 13 procent had een hoger advies dan het schooltype dat ze hebben gehaald. Deze leerlingen zijn dus afgestroomd ten opzicht van het advies, en hebben dus niet gepresteerd overeenkomstig de verwachtingen die de basisschool van hen had. In slechts 7 procent van de gevallen komt het voor dat leerlingen een hoger diploma behalen dan het advies (opstromen). Het vaakst komt dit voor bij de leerlingen met een ivbo-advies. Bij de leerlingen met een vbo- of mavo-advies komt meer afstroom dan opstroom voor. Ook onder de leerlingen met een havo-advies is veel afstroom. Ongeveer een derde van de deze leerlingen haalt een lager diploma dan havo. Toch is er ook zo'n 25 procent die een hoger diploma, namelijk vwo haalt. Leerlingen die een vwo-advies hadden, konden uiteraard geen hoger diploma behalen dan dat advies maar alleen een lager of hetzelfde. Opvallend is dat 20 procent van hen is afgestroomd.
H. Kuyper, M.P.C. van der Werf (www). Inventarisatie van het verloop van leerlingstromen in het voortgezet onderwijs. pdf
Marleen van der Lubbe, Norman Verhelst, Ton Heuvelmans en Gerrit Staphorsius (2005). Verslag van een onderzoek naar de toelating van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Cito. pdf
Lieke Stroucken, Dick Takkenberg, en Anton Béguin (2008). Citotoets en de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Sociaaleconomische trends, 2e kwartaal. pdf
- Theorieloze presentatie van statistische gegevens. Interessant om te zien wat het CBS met het koppelen van bestanden zoal kan. En overigens ook wat de grenzen daarvan zijn: niet alle leerlingen komen in alle bestanden voor, er is dus verlies, en dat moeten bijzondere categorieën zijn waar ik juist veel meer van zou willen weten.
- Heel vervelend is dat het advies van de leerkracht niet is meegenomen. Het wordt een beetje neerbuigend een voorlopig advies genoemd omdat het op basis van de Citoscore nog kan worden bijgesteld. Dit soort misser maakt me achterdochtig. De auteurs laten het verder de lezer allemaal uitzoeken: er is geen discussie van of reflectie op de resultaten van deze oefening. Lees het dus zelf, zou ik zeggen. En sla er dan zelf de sociologische en andere literatuur op na om de resultaten te interpreteren.
- Ik geef toch een voorbeeld van het probleem met dit artikel. Op p. 11: "Van deze leerlingen gaat 37 procent van de
kinderen uit gezinnen in de hoogste inkomstenklasse naar een hoger brugklasniveau, terwijl kinderen uit gezinnen in de laagste inkomstenklasse daar in 22 procent van de gevallen naar toe gaan." De auteurs geven geen theoretisch kader waarin dit type resultaat een betekenisvolle interpretatie kan krijgen. Als lezers dit type resultaat een oppervlakkige interpretatie willen geven, houden de auteurs dat niet tegen. Politici kunnen er de voor de hand liggende conclusies uit trekken, conclusies die met deze resultaten in de hand wetenschappelijk niet hard te maken zijn. Dan gaat er weer een mega-schep geld naar ineffectieve maatregelen in het onderwijs. Weet iemand nog wat de basisvorming was?
Onderwijsraad (2005). Betere overgangen in het onderwijs. Adviezen voor het verminderen van voortijdige schooluitval en het verkrijgen van een hoger opleidingsniveau in Nederland. pdf
- "In twee panelbijeenkomsten met deskundigen is gesproken over de belangrijke overgang van primair naar voortgezet onderwijs, en de overgangen binnen de beroepskolom (vmbo-mbo-hbo). "
- doorstroom in beeld gebracht, zie Figuur 1 in het rapport.
- p. 18: "Overgang van basisonderwijs naar onderbouw voortgezet onderwijs
Na de basisschool stroomt 95% van de leerlingen die de basisschool verlaten uit naar een school voor vmbo (inclusief leerwegondersteunend onderwijs, lwoo), havo of vwo. Naar een praktijkschool gaat 3% en naar het voortgezet speciaal onderwijs 2% (figuur 1). " - p. 21: Trage of afgebroken leerloopbanen doen zich (te) veel voor op allerlei niveaus van het bekostigde onderwijsstelsel. De oorzaken zijn divers. Ervaringen van ouders, leerlingen en leraren wijzen op diverse belemmeringen [Onderwijsraad, 2003 Onderweg in het beroepsonderwijs. ]. Uit een secundaire analyse van de gegevens van het cohortenonderzoek VOCL 1993 komt naar voren dat bijna 10% van de leerlingen die instromen in het vo, in de tweede klas niet op het geadviseerde niveau zit (hetzij boven, hetzij onder hun niveau) [De Bruyn & Meijnen, 2005.].
- p. 41, par 4.3 in zijn geheel: "4.3 Overgangstraject po naar vo: leergebieden en overdrachtsdossiers
De overgang van po naar vo is een van de belangrijkste momenten in de schoolloopbaan van leerlingen. De herziening van de kerndoelen van het po is mede gericht op de aansluiting met het vervolgonderwijs, door het aantal kerndoelen te beperken en globaler te formuleren. In de onderbouw van het vo is de ordening van kerndoelen vooral een taak van het lerarenteam. Een school kan daarbij kiezen voor verschillende vormen (leergebieden, combinaties, projecten, vakken). Voorwaarde is wel dat na de onderbouwfase leerlingen nog alle mogelijkheden hebben om hun gewenste sector (vmbo) of profiel (havo/vwo) te kiezen. Door het terugbrengen van het aantal vakken in leergebieden hoopt men ook de pedagogisch-didactische kloof met het po te verminderen. Leerlingen krijgen immers met minder leerkrachten te maken en de werkvormen komen meer overeen met het basisonderwijs (meer zelfstandig werken). Scholen kunnen verder de doorstroming verbeteren door leerlingvolgsystemen te gebruiken die de doorlopende leerlijn bevorderen, en door gegevens onderling uit te wisselen. Om scholen daarbij te helpen onderzoekt het ministerie nu de mogelijkheden van digitale portfolio's en andere vormen van leerlingvolgsystemen. Daar hangt de introductie van het digitaal overdrachtsdossier (dod) mee samen. Hierbij komen zowel de 'koude' overdracht (van systeem naar systeem) als de 'warme' overdracht (van docent naar docent) aan bod. Na het dod is de volgende stap een elektronisch leerdossier (eld) in het vo. Een probleem bij het overdragen van gegevens kan de wetgeving rondom privacy zijn. In het toezichtkader van de Inspectie van het Onderwijs krijgt het doorstromingsbeleid van scholen in de toekomst meer aandacht. Scholen voor vo moeten leerlingen plaatsen op basis van het advies van de basisschool, ondersteund door een onafhankelijk gegeven als bijvoorbeeld de eindtoets basisonderwijs. Wanneer de gegevensoverdracht tussen scholen beter verloopt dan nu, wordt dit ook een belangrijker kwaliteitscriterium. " - Teleurstellend advies dus, wat feitelijke informatie over de aansluiting po-vo betreft.
H. Uiterwijk and T. Vallen (2005). Linguistic sources of item bias for second generation immigrants in Dutch tests. Language Testing, 22, 211-234.
Fred Verbeek, Edith van Eck, Marjan Glaudé, Guuske Ledoux en Eva Voncken (2005). Bruggen bouwen voor leerloopbanen. SCO Rapport 740. pdf
- p. 21: "Procedures rond schoolkeuze en toelating kunnen alleen schooloverstijgend worden gestroomlijnd. De gemeentebrede vorm die daarvoor gekozen is in de gemeente Utrecht biedt daarvoor goede mogelijkheden en kent een breed draagvlak. De procedure wordt bovendien goed onderhouden, mede dank zij de inspanningen van de lokale schoolbegeleidingsdienst. Het Utrechtse voorbeeld laat bovendien zien dat de gemeente als lokale overheid een belangrijke rol kan spelen bij het verbeteren van de aansluiting bo-vo. Omdat de gemeente ook op andere terreinen onderwijsbeleid voert en daartoe een samenwerkingsrelatie met schoolbesturen onderhoudt, is het tevens mogelijk om nieuwe initiatieven in te brengen in het bestaande samenwerkingsverband. Langs die weg kunnen inhoudelijke vernieuwingen die zowel po als vo aangaan meer op elkaar worden afgestemd. Dat gebeurt in Utrecht nog maar op bescheiden schaal, maar het kader daarvoor is wel aanwezig. "
- De paar bladzijden gewijd aan genoemd casus is ook ongeveer alles over de keuzeproblematiek po-vo. Een ander casus gaat over "De pedagogisch-didactische aansluiting tussen bo en vo is een veel minder populair 'verbeteronderwerp' dan schoolkeuze en toelating." Dat is interessant, want problemen op dat vlak dragen bepaald niet bij aan voorspelbaarheid, dus aan adequate keuzestrategie bij de aansluiting po-vo.
E. H. de Bruyn en G. W. Meijnen. (2005). De brugperiode in het algemeen vormend onderwijs. Amsterdam: SCO-Kohnstamminstituut. [niet gezien] [geen online versie op site van SCO-Kohnstamm Instituut]
H. Luyten en R. Bosker (2004). Hoe meritocratisch zijn schooladviezen? Pedagogische Studiën, 81, 89-103.
- Samenvatting
"Een secundaire analyse van de PRIMA-IV-data laat zien dat bij de bepaling van het schooladvies de leerprestaties veel meer gewicht in de schaal leggen dan de sociaal-etnische achtergrond van een leerling. Met goede prestaties kan een leerling een minder voordelige achtergrond ruimschoots compenseren, maar een voordelige achtergrond biedt weinig soelaas bij ondermaatse prestaties. Bij een nadelige achtergrond is het verschil in advisering tussen sterke en zwakke presteerders wat groter dan bij een voordelige achtergrond. Het verschil tussen leerlingen met een gunstige en een minder gunstige achtergrond is bij slechte prestaties het sterkst. Op scholen die geen Cito-eindtoets afnemen, zijn de effecten van achtergrondkenmerken aanzienlijk sterker en de effecten van leerprestaties wat zwakker. Vergelijking met eerdere onderzoeken laat zien dat in de loop der jaren de relatie tussen capaciteiten en advies steeds sterker lijkt te worden." - Gezien de samenvatting gaat deze studie dus op geen enkele manier over de waarde van het advies als voorspelling. Zo'n vreemde kronkel komt vaker voor, zie bijvoorbeeld Driessen (2005), hierbeneden.
L. Mulder, J. Roeleveld, I. van der Veen en H. Vierke (2005). Onderwijsachterstanden tussen 1988 en 2002: ontwikkelingen in basis- en voortgezet onderwijs. ITS/SCO-Kohnstamm Instituut. pdf
- p. 111: De samenvatting van hoofdstuk 4 'De overgang van basis- naar voortgezet onderwijs' beschrijft statistische gegevens over de adviezen zelf, de adviezen in relatie tot de prestaties (Cito-toets????), de mate waarin adviezen worden opgevolgd ["Opvallend is dat in het laatste cohort, dus ná invoering van het vmbo, een veel groter deel van de leerlingen voor één niveau lager heeft gekozen dan geadviseerd, en een kleiner deel voor één niveau hoger.", geen onderzoek naar de juistheid van de beslissingen (predictieve waarde van advies en/of Cito-advies).
- p. 137: samenvatting van hfdst 5 'De verdere loopbaan in het voortgezet onderwijs.' Hier zou de kwaliteit van de aansluitingsbeslissingen aan de orde kunnen zijn, maar in de zeer uitgebreide samenvatting kan ik dat niet op heldere wijze ontdekken. Ik krijg geen zicht op de waarde van de adviezen op 12-jarige leeftijd gegeven.
Geert Driessen (2005). De totstandkoming van de adviezen voortgezet onderwijs: invloeden van thuis en school. Pedagogiek, 25, 279-298. pdf
Geert Driessen (2006). Het advies voortgezet onderwijs: is de overadvisering over? Mens en Maatschappij, 81, 5-23. summary
- In zichzelf gekeerd sociologisch onderzoek: wat hangt zoal samen met het advies. Niet: voorspelt dat advies iets? Ik begrijp niet hoe de eerstgenoemde analyse zinvol kan zijn, zonder te weten of dat advies doet wat het zou moeten doen: goed voorspellen. Dan is het vervolgens mogelijk om na te gaan of zaken die van invloed lijken op de adviesgeving, die voorspelling verstoren of misschien juist verbeteren. Niets van dat alles in dit artikel. Ondanks deze kritische noot is de gedetaillerde beschrijving van wat er zoal in Nederland wordt geadviseerd, heel nuttig.
G. Driessen, J. Doesborgh, G. Ledoux, M. Overmaat, J. Roeleveld en I. van der Veen (2006). Van basis- naar voortgezet onderwijs. Voorbereiding, advisering en effecten. ITS/SCO-Kohnstamm Instituut. pdf
- Hoofdstuk 7 Effecten van advies en bezochte basisschool op de positie in het vierde jaar voortgezet onderwijs. p. 174: "De eerste onderzoeksvraag was die naar de voorspellende kracht over een wat langere termijn van het advies voor voortgezet onderwijs. Uit de analyses komt naar voren dat dit advies een krachtige voorspeller is van de onderwijspositie, die leerlingen in het vierde jaar voortgezet onderwijs hebben weten te bereiken. Ruim 60% van de verschillen tussen leerlingen in het vierde jaar kunnen voorspeld worden uit het advies dat ze aan het eind van de basisschool hebben gekregen.
Het advies is ook een duidelijk betere voorspeller dan de prestatie-scores in de vorm van taal- en rekentoetsen en dan de achtergrondkenmerken van de leerlingen. Deze beide groepen variabelen weten de verklaringskracht van het advies slecht iets te verhogen." - p. 176: ".... de algemene conclusie uit het onderzoek is dat het grosso modo niet veel uitmaakt op welke basisschool een leerling heeft gezeten. Achtergrondkenmerken, individuele prestaties in groep 8 en vooral het advies zijn bepalend voor de positie in het vierde jaar voortgezet onderwijs."
Cito: Toelatingstoets lwoo en pro http://www.cito.nl/vo/toelatingstoets/eind_fr.htm
H. Kuyper en M.P.C. van der Werf (2007). De resultaten van VOCL'89, VOCL'93 en VOCL'99: Vergelijkende analyses van prestaties en rendement. Zie site of document pdf
Geert Driessen, Peter Sleegers en Frederik Smit (ingediend, 2007). The transition from primary to seondary education: Meritocracy and etnicity. European Sociological Review
- summary The aim of this study was to better understand the influence of pupil background characteristics (e.g. gender, SES, ethnicity), various cognitive, and non-cognitive competencies (e.g. school performance, study attitude) and a number of class and school characteristics (e.g. socio-ethnic class composition, degree of urbanization) on the transition of children from primary to secondary education in the Netherlands. In the final grade of Dutch primary school, pupils are advised with regard to the type of secondary education considered most appropriate for them. Recent data from the national large-scale PRIMA cohort study, which includes more than 8,000 pupils and 500 classes, were used to examine differences in the levels of recommendation provided. The results showed the phenomenon of over-recommending or, in other words, groups of pupils receiving an educational recommendation, which is higher than justified by their school performance, to no longer exist. Pupil achievement appeared to be the most important factor for the explanation of the level of recommendation, which clearly provides support for the meritocratic principle.
- Alweer: geen woord over de voorspellende waarde van het advies, wat de enige waarde is die hier telt, zou je toch zeggen. Afijn, weer een update over de adviesgeving zelf. Wie de auterus wil benaderen: hier
J. Roeleveld en I. van der Veen (2007). Kleuterbouwverlenging in Nederland: omvang, kenmerken en effceten. Pedagogische Studiën, 84, 448-462.
- "Geconcludeerd wordt dat het aanbeveling verdient meer terughoudend te zijn bij het besluiten tot kleuterbouwverlenging."
- Wat is dat, kleuterbouwverlenging: een eufemisme voor zittenblijven in groep twee. De omvang daarvan is niet gering: ongeveer 10% van de kleuters. Op veel scholen wordt gedacht dat het een goede maatregel is om achterstanden te bestrijden. Niet dus, zo blijkt ook weer eens uit dit onderzoek, dat gebruik maakt van gegevens in het ORIMA-cohort en zodoende dus effecten op lage termijn mee kan nemen.
Guuske Ledoux en Lia Mulder (2008). Schakelklassen effectief. Didaktief, 38 #9, 28-29.
- "Kinderen met een grote taalachterstand hebben baat bij een schakelklas. Vooral oudere kleuters en leerlingen vanaf groep 5 profiteren ervan. De prestaties in begrijpend lezen gaan omhoog."
- "De schakelklas kan parallel lopen aan groep 1 t/m 8, maar kan ook een extra jaar zijn tussen de reguliere groepen (bijvoorbeeld tussen groep 3 en 4). Ook kan een schakelklas een soort instroomgroep zijn, direct aan het begin van de basisschool."
- Rapportage: Lia Mulder en anderen (2008). Resultaten van het evaluatieonderzoek schakelklassen in het schooljaar 2006/2007. ITS/SCO-Kohnstamm Instituut.
December 2008: schoolprestaties 2008 zijn doorzoekbaar op de website van Trouw.
- Aleid Truijens (de Volkskrant 23 december 2008) geeft een inhoudelijke toelichting: de resultaten moeten wel goed worden gelezen, bijvoorbeeld in relatie tot de adviezen waarmee de leerlingen de school zijn binnengekomen: een school die middelmatig presteert, maar waar een groot deel van de leerlingen met havo-advies op vwo-niveau eindexamen hebben gedaan, doet het natuurlijk fantastisch!
- En dat is ook het belang van deze dataset voor de aansluitingsproblematiek bo-vo: de Trouw data geven ook voor derde klassers het percentage dat in die school zit met een lager, resp. hoger schooladvies. Een eerste blik op die cijfers laten meteen zien dat er grote verschillen tussen scholen bestaan, die ongetwijfeld samenhangen met locale omstandigheden en met schoolbeleid. Ik zou daar graag een grondige analyse van zien, zou de Inspectie zoiets kunnen maken?
Roel van Elk, Marc van der Steeg, Dinand Webbink (2009). The effect of early tracking on participation in higher education. Centraal Planbureau. pdf
- samenvatting "Dit paper onderzoekt het effect van vroege selectie op de deelname aan en het afronden van het hoger onderwijs. Hiervoor vergelijken we leerlingen die vroeg geselecteerd zijn (d.w.z. direct naar een categorale mavo gaan) met leerlingen die 1 of 2 jaar later geselecteerd worden door het volgen van een gecombineerde brugklas. Er wordt op twee manieren met mogelijke zelfselectie omgegaan. We controleren voor een grote verzameling individuele achtergrondkenmerken zoals testscores op cognitieve vaardigheden. Daarnaast maken we gebruik van verschillen in regionaal aanbod van bepaalde typen scholen. De schattingen laten zien dat vroege selectie een negatief effect heeft op de deelname aan en het afronden van het hoger onderwijs voor de leerlingen met een mavo-advies. We vinden bovendien geen aanwijzing dat leerlingen met een havo-advies een negatieve invloed zouden ondervinden van leerlingen met een mavo-advies in de gecombineerde brugklas. De deelname aan het hoger onderwijs en het aantal hoger opgeleiden in Nederland kunnen vergroot worden door het stimuleren van deelname aan gecombineerde brugklassen waarin leerlingen met een mavo- of havo-advies één of twee jaar bij elkaar gehouden worden."
- Het onderwerp van onderzoek is zeker interessant. De onderzoekers zijn economen, gaan op een wat andere manier tewerk dan overigens in sociaal-wetenschappelijk onderwijsonderzoek wordt gedaan, maar dat kan verfrissend werken. Dan moet de socioloog of psycholoog wel geduldig dit hele stuk uitpluizen, en die tijd heb ik helaas niet. Ik weet daarom niet goed wat de beleidsrelevantie van de resultaten is, omdat in de kern van de zaak dit onderzoek beschrijvend van aard is, en geen conclusies toestaat over wat de effecten van een sterke beleidswijziging zouden zijn. Wat hier een rol zou kunnen spelen zijn eventuele zelf-selectieve effecten, waarvoor de onderzoekers zeggen statistisch te controleren. In dit geval vermoed ik dat statistische controle mogelijk voldoende is, en zou ik met de beleidsconclusies van de auteurs mee willen gaan. Maar ja, die conclusies liggen dan ook in de richting die ik zelf zou hebben voorspeld. Leo Prick waarschijnlijk ook, maar de auteurs lijken op de stelling van Leo Prick niet direct in te willen gaan: dat met het VMBO er een waterscheiding tussen VMBO-t en Havo is ontstaan. Leo Prick zal ongetwijfeld dit onderzoeken willen bespreken in de NRC, ergens in maart 2009.
http://www.benwilbrink.nl/literature/aansluitingbovo.htm