Rekenproject: Historisch — rekenopgaven

Ben Wilbrink

rekendidactiek
    ontwikkelingen in het rekenonderwijs
        pabo
        historisch: rekendidactiek historisch: rekenopgaven
        van HieleFreudenthalTreffers





Danny Beckers en Marjolein Kool (2004). Willem Bartjens (1604/2004). De Cijfferinghe (1604). Het rekenboek van de beroemde schoolmeester. Hilversum: Verloren.


Het eeuwfeest was aanleiding nog eens te gaan zoeken naar een exemplaar van die eerste editie, en dat is gevonden in Antwerpen. Een facsimile hiervan is in dit boek opgenomen. Dan is nu dus te zien dat de editie van 1779 nauwelijks verschilt van die van 1604, in ieder geval zijn de oorspronkelijke gedichtjes eruit verdwenen.
Verschenen in de serie Rekenmeesters
Zie annotatie in trucjes.htm#Beckers Kool.


Danny Beckers over leven en werk van Bartjens, in NWA 5/5 2004 pdf




P. Wijdenes (1924). Voorlooper op de rekenboeken voor de H.B.S en voor M.U.L.O., tevens slotstukje voor het rekenonderwijs op de lagere school. P. Noordhoff.

Dit boekje geeft een tijdsbeeld. Ik ben wel benieuwd hoe dit past in de historische ontwikkeling van het rekenonderwijs, en het denken over het rekenonderwijs. Als ik hte goed heb, spreekt dezelfde Wijdenes zich na de oorlog uit tegen de idioot ingewikkelde breukensommen zoals hierbeneden afgebeeld: kindermishandeling. Ik kijk dat nog na.

Voorbericht


Deze voorlooper heeft tot doel een schakel te vormen tusschen de rekenboeken voor de Lagere School aan de eene zijde en aan de andere zijde mijn veelgebruikte Rekenboeken voor de H. B. S. en voor het M. U. L. O. Het blijkt, gezien de vele vragen, die men omtrent een en ander tot mij richtte, dat de onderwijzers, die opleiden voor de H. B. S. gaarne een slotstukje hebben met geschikte oefenstof en dat men bij het M. U. L. O. liever niet direct het Rekenboek voor M. U. L. O. neemt, maar eerst eens terdege alles wil herhalen.

Dit boekje bevat naar mijn meening precies, hetgeen men wenscht. Een groot deel van de opgaven is er overgenomen van de toelatingsxamens van verschillende H. B. S. en Gymnasia in 1921—1923, zoodat dit boekje als krahtmeter voor deze examens kan dienen.

De stof heb ik gerangschikt naar de meest voorkomende soorten van vraagstukken; de onderwijzer kan nu een bepaald onderwerp terdege behandelen en hij heeft voldoende oefenstof ter beschikking.

Gaarne zal alle mogelijke op- en aanmerkingen van gebruikers vernemen.                     P. WIJDENES.

Wijdenes deelt de stof in 20 paragrafen in. Ik geef uit elke paragraaf een opgave. Dit waren wel de gekke jaren twintig voor de rekentoetsen, zo te zien. Veel verschil met realistische rekentoetsen zie ik niet, behalve dat die van 1924 waanzinnig moeilijk zijn in vergelijking tot de huidige. Het zou me verbazen wanneer ik tussen deze meuk ergens nog opgaven vind die naar redelijke maatstaven vandaag nog door de rekenbeugel kunnen. Zo te zien werd het rekenen in de twintiger vooral gebruikt om de selectie voor de mulo, de hbs, het gymnasium, en de mms te regelen. En natuurlijk schemert overal in door dat er veel functies in de samenleving waren waar wel degelijk stevig en nauwkeurig moest worden gerekend.

Merk op dat Wijdenes de opgaven rubriceert naar opgavetype. Dat is veelzeggend: het rekenonderwijs is in deze zin ook een aanfluiting, omdat de leerlingen wordt geleerd hoe je een beperkt aantal echt schoolse rekenproblemen altijd op dezelfde manier moet aanpakken. Bijvoorbeeld: A doet een werk in 5 dagen, B doet datzelde werk in 7 dagen . . . . Enzovoort.

Hoofdbewerkingen


Deelbaarheid


Percentrekening


Koop en verkoop


Voorloopge onderstelling


Terugwerken


Samen werken


Mengen


Inhalen en ontmoeten


Verhoudingen


Som of verschil constant


Oppervlakken


Slooten


Inhouden


Tijdrekening


Metriek stelsel


Tiendeelige breuken


Gewone breuken


Cijferoefeningen


Herhaling



H. Scholte (1919 8e). Hoeveel en waarom? Supplement voor hen, die zich voorbereiden voor de toelating op hoogere burgerschool of gymnasium. J. B. Wolters.


De rekenboekjes zelf zijn ws. 1893 uitgegeven als ‘Hoeveel en waarom’; ws heeft de KB de hele serie van de eerste druk?

De opgaven in dit boekje zijn methodisch gerangschikt en ontleend aan of bewerkt naar de vraagstukken, die in de laatste jaren in verschillende deelen van ons land bij de toelatings-examens voor Hooegre Burgerscholen en Gymnasia zijn opgegeven. (..)

Dit supplement is een afgesloten geheel en kan als repetitie-boek voor het zelfstandig rekenen bij elke methode worden gebruikt. Het is evenwel niet nodig met de repetitie te wachten, tot de leerstof in zijn geheel is afgehandeld. Aan de leerlingen, die werken in Hoeveel en Waarom, kan men het b.v. reeds in handen geven, als een paar paragrafen van het Zesde deeltje zijn behandeld. (..)

Daar de eischen, die men bij de toelating op verschillende scholen stelt, zeer uiteenloopen, zullen sommige onderwijzers het onnoodig achten, het geheele boekje te laten doorwerken, terwijl anderen uit een of ander stel examenwerk allicht een vraagstuk kunnen opdiepen, moeilijker dan de door mij opgenomene. (..)

Op grond van een jarenlange ervaring meen ik te mogen verzekeren, dat een leerling, die dit boekje flink heeft doorgewerkt, voldoende voorbereid is voor het onderwijs in de wiskunde, en dat hij op een toelatings-examen voor het schriftelijk rekenen geen slecht figuur zal maken.


De genoemde rekenmethode geeft redelijk uitsluitsel over het rekenonderwijs dat de leerlingen hebben gehad. Onbekend blijft wat Scholte vindt dat de score op een willekeurig uit deze bundel samengetselde toets zou moeten zijn, om gerust te kunnen zijn op het op de toelatingstoets te behalen resultaat. Zouden we het hem kunnen vragen, dan zou hij waarschijnlijk herhalen dat de selectiviteit van die toelatingen per school verschilt, maar mogelijk ook voor dezelfde school van jaar tot jaar kan verschillen. Uit arren moede zouden we dan een heel globale vuistregel aan kunnen houden: voor een redelijke kans om toegelaten te worden, zal toch rond 70% van deze opgaven goed beantwoord moeten kunnen worden. Wat zijn dan de vragen?


  1. Als men een getal achtereenvolgens door 12, 15 en
    20 deelt, is de som der quotienten 24 meer dan 1/7
    van dat getal. Welk getal wordt bedoeld?
  2. Bij een getal voegt men het vierde deel van dat
    getal ; van deze som neemt men het vierde deel, en
    krijgt nu 5 1/4 minder dan de helft van het oorspron-
    kelijke getal. Welk getal is dat?
  3. Van twee getallen, die tot elkaar staan als 2 tot 5,
    is het achtste deel van het grootste 7½ meer dan het
    vierde deel van het kleinste. Welke zijn die getallen?
  4. Twee getallen verhouden zich als 2½ en 11. Het vijf-
    voud van het kleinste is 556¼ meer dan het achtste
    deel van grootste.
    Wat is het product van die getallen?
  5. Van een getal neemt men het vierde deel en 15 af ;
    van de rest neemt men 10 minder af dan het derde
    deel van die rest. Men houdt 64 over.
    Bereken het oorspronkelijke getal.
  6. De som van twee getallen is 236. Deelt men het
    kleinste door ¾ en vermenigvuldigt men het grootste
    met 1 1/8, dan krijgt men gelijke uitkomsten.
    Bereken die twee getallen.
  7. De inhoud van een schip is:

    2/3 × (5/12 + 1,75)
    ————————————— DM3
    10 1/9 : 1 9/19 - 5/6 × 1 11/15

    Hoeveel hektoliter is dat?
  8. Iemand koopt 600 M laken tegen f 4,50 den meter.
    Hij verkoopt een gedeelte à f 6 en de rest à f 5,20
    den meter, waardoor hij f 540 wint.
    Hoeveel meter heeft hij à f 5,20 verkocht?
  9. A, B en C bezitten elk een zekere som geld. Als A
    25 % van zijn geld aan C geeft en B 20% van zijn
    geld aan C, hebben ze alle drie evenveel. Welk deel
    bedroeg de som, die B oorspronkelijk had, van die
    van A?
  10. Het getal 143a7a2, waarin de letters a en a gelijke
    cijfers voorstellen, is deelbaar door 4 en door 9.
    Welke cijfers zijn door die letters voorgesteld?

    par. 22 NB: in het origineel zijn de breuken alle genoteerd met een horizontaal streepje



J. Mooijaart (1963). Parate kennis op de nieuwe kweekschool. Paedagogische Studiën, 40, 483-500. [wel online beschikbaar, ik zoek dat nog op, zie ook PedagStud.htm]


d. hoofdrekenen

Achter de volgende opgaven moesten de antwoorden zonder berekeningen op papier ingevuld worden:

               7 × 99 =
              6 × 375 =
            4848 : 12 =
            4256 : 14 =
            6006 : 12 =
           8 × 12,125 =
14 2/7% van Fl.212,10 = 
          9432 – 7432 =
           3007 + 870 =
  20 % van Fl. 120,25 =
          143,39 : 13 =
       8 × 3 × 12 1/2 =
          448 : 0,112 =
         25 × 18 × 12 =
           63 : 7 × 3 =
         97 + 61 + 39 =
            8008 – 88 =
           1,818 + 18 =
        2 2/7 × 5 × 7 =
      75,375 : 37 1/2 =


We menen hier een beroep te doen op parate kennis, die langs de weg van het inzicht is verkregen. Dat hij of zij, die op de lagere school het vak rekenen moet gaan onderwijzen, deze stof voldoende moet beheersen is duidelijk.
In de toelichting bij het betreffende programma voor het kweekschoolexamen wordt “vaardigheid in het hoofdrekenen” met name genoemd.

[Voor het onderdeel hoofdrekenen mochten 10 minuten worden gebruikt, de resterende 40 minuten konden door de deelnemers over de andere vakken verdeeld worden.]

[ . . . met toestemming overgenomen uit het lagere-schooleindexamen, dat in 1955 in Eindhoven werd gehouden onder leiding van de heer H. J. Carpay, nu inspecteur van het Kweekschoolonderwijs. Aan dit examen namen alle zesde-klassers van de Rooms-Katholieke lagere jongensscholen in Eindhoven deel. Aantal kandidaten 1055. Wij maakten van deze opgaven gebruik, omdat de in Eindhoven behaalde resultaten aantoonden, dat deze proeven op het niveau van de zesde klas van de lagere school lagen.]

Zie ook mijn blog Parate rekenkennis op de nieuwe kweekschool 1960 op het BON-forum.



Gerard Alberts & Bert Zwaneveld (2001). Interview Henk Schuring, vertrekkend wiskundeman bij het Cito. Alle dagen eindexamen. NAW 5/2 nr. 3 september 2001. 262-265. pdf



Fred Goffree, Willem Faes & Wil Oonk (1988). Reken vaardig. Wiskunde & didactiek 0. Wolters-Noordhoff.


Basisschoolleraren in opleiding blijken in nood te komen als ze niet in staat zijn de ‘eenvoudige’ rekenopgaven van de basisschool te maken. Voor PABO-studenten van deze tijd ligt de problematiek moeilijker dan voor vele van hun voorgangers. Zij hebben namelijk voor een groot deel mechanistisch ingericht rekenonderwijs ontvangen terwijl ze met grote waarschijnlijkheid worden geplaatst voor opgaven uit reken-wiskundeboekjes van realistische signatuur.

Dit boek is ontworpen om PABO-studenten te helpen door zelfstudie zich het nieuwe rekenen eigen te maken. Wat dat preceis is, kan men weerspiegeld zien in de Reflektieve oplossingen, die aan de opgaven zijn toegevoegd.

De kerngedachte achter dit boek is dat functionele rekenvaardigheid verworven wordt in een ‘natuurlijke omgeving’ en dat dit hoofdzakelijk geschiedt op basis van ‘gezond verstand’. Zorgvuldig geselecteerde opgaven uit de nieuwe reken-wiskundeboekjes, aangevuld met probleemsituaties uit onze dagelijkse omgeving, vormen een inspirerende leeromgeving voor eerstejaarsstudenten.

Dit boek moet beschouwd worden als een ‘voorloper’ in de serie Wiskunde & Didactiek. Ook bij het doorwerken van de drie volgende delen wordt rekenvaardigheid, maar nu in een didactisch perspectief, ge- en beoefend.

flaptekst van de drie auteurs.

Fred Goffree (1993). Kleuterwiskunde Wolters-Noordhoff. Fred Goffree (1982/1994). Wiskunde & didactiek 1. Wolters-Noordhoff.

Fred Goffree (1992). Wiskunde & didactiek 2. Wolters-Noordhoff.

Fred Goffree (1985). Wiskunde & didactiek. Derde deel. Wolters-Noordhoff.


L. N. H. Bunt (1958). The teaching of arithmtic and mathematics to students between 6 and 15 years of age in the Netherlands. Subcommittee for the Netherlands of the International Commission on Mathematics Instruction. J. B. Wolters (77 blz. brochure)

Bunt heeft enkele voorbeelden vertaald, zoals Rekenen I en Rekenen II in de toelatingsexamens voor h.b.s. en gymnasium in Hilversum, 1955 (blz 69-70), en een voorbeeld van een rekentoets opgesteld door het Nutsseminarium (p. 70-71). Bunt (blz. 72) noemt nog de volgende publicaties:

p style='text-indent: 0em'> Het idee bij al deze drukte is tamelijk simpel: het gaat om de voorspelling van de schoollloopbaan in het vo, en dat doen we dus door de kandidaten een intellectuele uitdaging te geven, zodanig dat de verschillen tussen leerlingen goed worden uitvergroot. Ik vind het maar eng; het gaat hier om 12-jarigen. Ik ben er zelf destijds (1956) ook aan onderworpen (een proefklas zelfs). Die proefklas is beschreven door Stellwag, een boek dat Bunt niet lijkt te kennen.

H. W. F. Stellwag (1955). Selectie en selectiemethoden. Een inleidende studie in het aansluitingsvraagstuk L.O. en V.H.M.O. Groningen: J. B. Wolters.


Bevat voorbeeldmateriaal uit toelatinstoetsen en proefklassen.



D. J. Kruijtbosch (1916). Schriftelijke opgaven van het eindexamen der Hoogere Burgerscholen vanaf 1885. J. B. Wolters.



Kruijtbosch, D. J. Kruijtbosch (1936). Schriftelijke opgaven van het eindexamen der Hogere Burgerscholen-B met vijfjarige cursus. Wolters.



D. J. Kruijtbosch en S. J. Richter (1956). Schriftelijke opgaven van het eindexamen der hogereburgerscholen-B met vijfjarige cursus. Wolters-Noordhoff.



S. J. Richter (1969). Schriftelijke opgaven van het eindexamen der gymnasia. Wolters-Noordhoff.



24 april 2012 \ contact ben at at at benwilbrink.nl    

Valid HTML 4.01!   http://www.benwilbrink.nl/projecten/hist_rekenopgaven.htm