1. Creativiteit: algemeen
2. Creativiteit: in het onderwijs
3. Creativiteit: in het rekenonderwijs
4. Creativiteit: in het wiskundeonderwijs
5. Creativiteit: bij wiskundigen
6. Creativiteit: goeroes en andere nieuwlichters
Hooggestemde onderwijsidealen zullen zeker niet voorbijgaan aan het thema ‘creativiteit’. Dat doet mij genoegen, want ik heb het altijd al een uitdaging gevonden op dat thema greep te krijgen. Een van mijn belangrijkste tentamens, bij Carel van Parreren, ging over een boekenlijst waarin onderzoek naar creativiteit een belangrijke plaats innam.
In het rekenproject gaat het natuurlijk om de plaats van creativiteit in het rekenonderwijs: hoe denken rekendidactici erover? Is er gericht onderzoek naar gedaan? Eerst maar eens inventariseren. Een probleem is waarschijnlijk dat veel gedachten over creativiteit geen verbinding hebben met enige wteenschappelijke theorie. Vandaar dat ik apart aandacht schenk aan wat er in psychologische en filosofische contreien over bekend is.
Mijn referentie, wat de psychologie betreft, is het recente boek van Stellan Ohlsson (2011). Daarin komt natuurlijk aan de orde wat er gedurende de vorige eeuw zoal op dit gebied is bereikt en wat Ohlsson daaraan weet toe te voegen, staande op de schouders van Duncker, Simon, Newell, en vele anderen.
Stellan Ohlsson (2011). Deep learning. How the mind overrides experience. Cambridge University Press. zie ook hier
In short, there is no magic number of insight events, nor do we know that the number of insights measures the importance or novelty of an invention or a discovery, although this is a possibility that might reward attention. But the claim that the insight theory applies to significant cretive projects should not be confused with the obviously inaccurate claim that such a project requires only a single insight. The important conclusion is that creativity scales acros complexity through the accumulation of multiple insights, not via some different or unknown cognitive mechanism or mysterious “creative ability.’
Ohlsson p. 141
Dit citaat is een tikje mysterieus. De mysterieuze termen zijn termen uit de theorie van Ohlsson. Wat het citaat misschien toch duidelijk maakt: Ohlsson is op zoek naar echte verklaringen voor inzicht en creativiteit, verklaringen die op hun waarde zijn te onderzoeken met computersimulaties en neuropsychologisch onderzoek. Hij moet niets hebben van de gedachte dat mensen verschillen in ‘creatief vermogen’, niet omdat mensen niet verschillen in de mate waarin ze met creatieve oplossingen op de proppen komen, maar omdat het fenomeen duiden als ‘creatief vermogen’ natuurlijk geen bliksem verklaart.
Robert J. Sternberg (2003): Creative Thinking in the Classroom. Scandinavian Journal of Educational Research, 47, 325-338. abstract
Robert J. Sternberg (1988). A three-facet model of creativity. In R.J. Sternberg: The nature of creativity. Cambridge University Press.
Robert J. Sternberg & T. L. Lubart (1991). An investment theory of creativity and its development. Human Development, 34, 1991, pages 1-31.
Robert J. Sternberg & T. L. Lubart (1991). Creating creative minds. Phi Delta Kappan, pages 608-614.
Robert J. Sternberg & T. L. Lubart (1995). Defying the crowd. Cultivating creativity in a culture of conformity, The Free Press.
Pat Langley, Herbert A. Simon, Gary L. Bradshaw, & Jan M. Zytkow (1987). Scientific discovery. Computational explorations of the creative process. MIT Press.
Ch. W. Taylor (Ed.) (1964). Widening horizons in creativity. The Proceedings of the fifth Utah Creativity research Conference. Wiley.
Calvin W. Taylor & Frank Barron (Eds) (1963). Scientific creativity: Its recognition and development. Selected papers from the proceedings of the first, second, and third university of utah conferences: 'The identification of creative scientific talent'. Wiley.
Michelene T.H. Chi (I997). Creativity: Shifting across ontological categories flexibly. In T.B. Ward, S.M. Smith, & J. Vaid (Eds.), Conceptual Structures and processes: Emergence, Discovery and Change. (Pp. 209-234). Washington, D.C: American Psychological Association. pdf
James C. Kaufman (2011). Individual differences in creativity. In Tomas Chamorro-Premuzic, Sophie von Stumm & Adrian Furnham: The Wiley-Blackwell Handbook of Individual Differences. (679-697) Wiley-Blackwell.
Onderzoek naar individuele verschillen vindt meestal plaats in een andere liga dan dat naar cognitie als zodanig. Beide benaderingen zijn belangrijk, zeker voor wie denkt dat psychologie bruikbare aanwijzingen geeft voor de inrichting van onderwijs. Dat wil zeggen: uit het land van de psychologische tests komt eigenlijk alleen maar de gemeenplaats dat wei intelligent is en open staat voor ervaringen, vaak ook creatiever blijkt dan anderen. In ieder geval wijst dat erop dat het voor de meeste mensen/leerlingen dus moeilijk zal zijn om zich creatief te tonen, laat staan creatiever te zijn dan anderen. Creativiteit als onderwijsdoel stellen is mijn inziens dus een zekere vorm van intellectueel geweld uitoefenen.
Filosofen hebben zo hun eigen gedachten over creativiteit, zonder verbanden te leggen met de resultaten in de cognitieve psychologie. We zullen zien.
Lars Geer Hammershøj (2009). Creativity as a question of Bildung. Journal of Philosophy of Education, 43, 545-558.
Nancy Warehime (1993). To be one of us. Cultural conflict, creative democracy, and education. SUNY.
Margaret A. Boden (1990). The creative mind. Myths and mechanisms.Basic Books.
Subrata Dasgupta (1996). Technology and creativity. Oxford University Press.
Creativiteit is ook een gewild onderwerp bij auteurs zonder achtergrond in de psychologie of filosofie, maar die wel de moeite nemen de literatuur te bestuderen. Sir Ken Robinson hoort daar misschien toe (ik twijfel nog), in ieder geval James Adams:
James L. Adams (1986). The Care and Feeding of Ideas. A guide to encouraging creativity. Addison-Wesley.
Adams is een ingenieur, Stanford University, adviseur van overheden, bedrijven en andere organisaties. Zijn boek is van belang om te zien hoe hoe van de resultaten van psychologisch onderzoek gebruik wordt gemaakt door niet-psychologen. De Freudenthal-groep bestaat vrijwel geheel uit niet-psychologen.
R. S. Mansfield, T. V. Busse & E. J. Krepela (1978). The effectiveness of creativity training. Review of Educational Research, 4, pages 517-536.
Foutje van Anna Craft: moet waarschijnlijk vol. 48 zijn, niet 4.
Anna Craft (2001). An analysis of research and literature on creativity in education. Report prepared for the Qualifications and Curriculum Authority. pdf
A. Craft, B. Jeffrey & M. Leibling (Eds.). Creativity in education. London: Continuum. [Dit boek heb ik niet gezien]
John Curtis Gowan, George D. Demos, and E. Paul Torrance (Eds) (1967). Creativity: its educational implications. Wiley.
Richard A. Talaska (Ed.) (1992). Critical reasoning in contemporary culture. SUNY.
E. Paul Torrance (1972). Career patterns and peak creative achievements of creative high school students twelve years later. The Gifted Child Quarterly, 16, 44-57. Reprinted in: Eli Ginzberg & John L. Herma (1964). Talent and performance. Columbia University Press.
Fred Goffree (2005). Wiskundeleraren over hun didactiek. De periode voor de grote veranderingen (1924-1968). In Fred Goffree, Martinus van Hoorrn en Bert Zwaneveld: Honderd jaar Wiskundeonderwijs (105-120). Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren.
Derek W. Haylock (1987). A framework for assessing mathematical creativity in schoolchildren. Educational Studies in Mathematics, 18, 59-74. abstract
Dit is een artikel in de lijn van probleemoplossen. De vraag is of Haylock gaat voor de aanpak van Polya — probleemoplossen als instrument — of voor de gedachte dat probleemoplossen een soort inhoudsloze competentie is die als belangrijk doel van wiskundeonderwijs kan gelden. Haylock geeft vooral een overzicht van pschologische literatuur, iets dat vooral overbodig is omdat die er al in groen getale zijn. Het interessante bijft dan hoe Haylock hiermee omgaat, en wat hij onderzoekers van wiskundeonderwijs voorhoudt. Hij gaat voor het koesteren en vormen van creativiteit van kinderen. Ik vind het maar niets, maar dit artikel kan een goed voorbeeld zijn van de wijze waarop wiskundigen met psychologie omgaan.
ICMI Study 16. Challenging Mathematics in adn beyond the Classroom. webpage
Michal Yerushalmy (2008). Educational technology and curricular design: Promoting mathematical creativity for all students. In Roza Leikin, Abraham Berman & Boris Koichu: Creativity in mathematics and the education of gifted students (51-70). Sense Publishers. Chapters 1 and 2 made available pdf. Yerushalmy: pdf
Pieter J. van Strien (2011). Psychologie van de wetenschap: Creativiteit, serendipiteit, de persoonlijke factor en de sociale context. Amsterdam University Press. recensie in NRC
David Bohm (1998). On Creativity. Routledge.
David Bohm was een eminent natuurkundige, vooral bekend door zijn alternatief voor de quantum theorie. Voor mij is dit boek interessant als op zichzelf staande poging van een scherp denker om greep te krijgen op het fenomeen creativiteit: in hoeverre is Bohm erin geslaagd om belangrijke kenmerken van creativiteit op de staart te trappen,? Waar gaat hij de mist in? Beseft hij dat zonder empirisch toetsend onderzoek zijn opvattingen tamelijk vrijzwevend zullen blijven? Kan ik een vergelijking trekken tussen deze oefening van David Bohm, en de pogingen van Hans Freudenthal om zijn gedachten over de psychologie van het reken- en wiskundeonderwijs te ordenen?
Peter Liljedahl (2008). In the Words of the Creators. In Roza Leikin, Abraham Berman & Boris Koichu: Creativity in mathematics and the education of gifted students (51-70). Sense Publishers. Chapters 1 and 2 made available pdf. Liljedahl: pdf
Sir Ken Robinson & Lou Aronica (2009). Het element. Als passie en talent samenkomen. Het Spectrum.
http://www.benwilbrink.nl/projecten/creativiteit.htm