Over het beoordelen van proefschriften bestaat natuurlijk ook enige literatuur, bijvoorbeeld een themanummer van International Journal of Educational Research met onderzoek over de boordeling van Australische proefschriften.
Louise Morley (2004). Interrogating doctoral assessment (editorial). International Journal of Educational Research, 41, 91-97.
Allyson Holbrook, Sid Bourke, Terence Lovat, Kerry Dally (2004). Investigating PhD thesis examination reports. International Journal of Educational Research, 41, 98-120. abstract
Margaret Kiley & Gerry Mullins (2004). Examiningthe examiners: How inexperienced examiners approach the assessment of research theses. International Journal of Educational Research, 41, 121-135. abstract
Kerry Dally, Allyson Holbrook, Anne Graham, Miranda Lawry (2004). The processes and parameters of Fine Art PhD examination. International Journal of Educational Research, 41, 136-162. abstract
Terence Lovat, Melissa Monfries & KellieMorrison (2004). Ways of knowing and power discourse in doctoral examination. International Journal of Educational Research, 41, 163-177. abstract
Sid Bourke, John Hattie & Lorin Anderson (2004). Predicting examiner recommendations on Ph.D. theses. International Journal of Educational Research, 41, 178-194. abstract
Fred Goffree (2002). Wiskundedidactiek in Nederland. Een halve eeuw onderzoek. Nieuw Archief voor Wiskunde 5/3 nr 3 september, 233-243. pdf
Fred Goffree (2002). Wiskundedidactiek in Nederland. De opbrengst. Nieuw Archief voor Wiskunde 5/3 nr 4 december, 333-345. pdf
H. Mooy (1948). Over de didactiek van de meetkunde benevens benaderingsconstructies van een hoek in gelijke delen. [nog niet gezien]
Het doel is daar het verbeteren van leerprestaties voor meetkunde na te gaan bij leerlingen van het gymnasium in de eerste klasse door zogenaamde leergesprekken. Doordat protokollen zowel over de klassikale lessen als over de leergesprekken geheel ontbreken, is het moeilijk na te gaan of de klassikale les aan de verschillende groepen gegeven dezelfde is geweest.
Van Hiele-Geldof, 1957, blz. 2
Van Hiele-Geldof somt nog meer bezwaren tegen de opzet van Mooy op: zo gaat het om drie klassen, die van verschillende docenten les kregen, en ontbreekt een controlegroep.
D. van Hiele-Geldof (1957). De didaktiek van de meetkunde in de eerste klas van het V.H.M.O. Proefschrift. Handelseditie uitgegeven door de samenwerkende uitgevers: Meulenhoff/Muusses/Erven Noordhoff/Nijgh & Van Ditmar/Struy, Van Mantgem & Van der Does.
P. M. van Hiele (1957). De problematiek van het inzicht gedemonstreerd aan het inzicht van schoolkinderen in meetkunde-leerstof. Proefschrift RU Utrecht. Promotor: H. Freudenthal.
Dit is een vermaard proefschrift, omdat er zo vaak naar is en wordt verwezen. Maar zijn die verwijzingen terecht, of berusten ze op oppervlakkige associaties met het idee van niveaus in leerprocessen?
Pierre van Hiele heeft vele artikelen geschreven over zijn niveaus, o.a.
Voor annotaties bij zijn proefschrift, zie ../literature/hiele.htm#diss en geen_empirisch_onderzoek.htm#Hiele
A. Leen (1961). De ontwikkeling van het rekenonderwijs op de lagere school in de 19e en het begin van de 20ste eeuw. Wolters. Proefschrift Vrije Universiteit.
W. J. Brandenburg (1968). Modernisering van het wiskunde-onderwijs. Wolters-Noordhoff.
Miriam Wolters (1978). Van rekenen naar algebra. Een ontwikkelingspsychologische analyse. R.U. Utrecht proefschrift.
De korte doch heldere discussies die ik met prof. dr. H. Freudenthal heb mogen voeren naar aanleiding van het manuscript hebben mij meer inzicht gegeven in de stokpaardjes van Davydov als het over wiskundige zaken gaat en in de wiskundige kant van het redactierekenen.
p. 9
Op deze wijze is uit oude en recente literatuur, onderzoek en ontelbare gesprekken [o.a. samen met Jo Nelissen, b.w.] een proefschrift ontstaan dat aangeeft in welke richting get rekenonderwijs moet verandreen om algebra-onderwijs te worden.
p. 9
Zie voor citaten uit de samenvatting algebra.htm#Miriam
A. Treffers (1978). Wiskobas doelgericht. Een metode van doelbeschrijving van het wiskundeonderwijs volgens wiskobas.. Instituut voor Ontwikkeling van het Wiskunde Onderwijs.
Fred Goffree (1979). Leren onderwijzen met Wiskobas. Onderwijsontwikkelingsonderzoek 'Wiskunde en Didaktiek' op de pedagogische akademie. Proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht/IOWO.
J. van Dormolen (1982). Aandachtspunten. De a priori analyse van leerteksten voor wiskunde bij het voortgezet onderwijs. [nog niet gezien]
F. Korthagen (1983). Leren reflecteren als basis van de lerarenopleiding. Een model voor de opleiding van leraren, in het bijzonder wiskundeleraren. [nog niet gezien]
H. Krammer (1984). Leerboek en leraar. Een proces-product-onderzoek in 50 klassen op havo en vwo naar verbanden tussen leerboekkenmerken, onderwijsactiviteiten en leerresultaten voor wiskunde. Proefschrift Technische Hogeschool Twente. Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs. SVO-reeks 82.
Anne van Streun (1985). Heuristisch wiskundeonderwijs. Verslag van een onderwijsexperiment. zie hier voor de samenvatting van het proefschrift.
R. A. de Jong (1986). Wiskobas in methoden. Vernieuwing van reken/wiskundemethoden voor het Nederlandse basisonderwijs (1965-1985). Vakgroep Onderzoek Wiskundeonderwijs en Onderwijscomputercentrum, Rijksuniversiteit Utrecht. Proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht.
J. de Lange (1987). Mathematics, insight and meaning. Teaching, learning and testing of mathematics for the life and social sciences. [nog niet gezien]
J. M. C. Nelissen (1987). Kinderen leren wiskunde. Een studie over constructie en reflectie in het basisonderwijs. Gorinchem: De Ruiter. [nog niet gezien]
H. W. A. M. Coonen (1987). De opleiding van leraren basisonderwijs. Een studie van ontwikkelingen in de theorie en praktijk van het opleidingsonderwijs.
L. Streefland (1988). Realistisch breukenonderwijs. Vakgroep Onderzoek Wiskundeonderwijs en Onderwijscomputercentrum, Rijksuniversiteit Utrecht. Proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht.
E. G. Harskamp (1988). Rekenmethoden op de proef gesteld. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen. RION. (Voor annotaties zie projecten/rr_omdraaiing.htm#Harskamp1, projecten/rr_omdraaiing.htm#Harskamp2, projecten/rr_omdraaiing.htm#Harskamp3.
J. van den Brink (1989). Realistisch rekenonderwijs aan jonge kinderen. Vakgroep OW&OC, RU Utrecht.
Tot slot stellen we ons de vraag wat dit onderzoeksverslag zou kunnen betekenen voor het onderwijsonderzoek, de onderwijsleertheorie en de onderwijsontwikkeling?
Voor het onderwijsonderzoek zijn, geïnspireerd door het onderwijs, nieuwe ideeën over onderzoek ontstaan. We noemen de methode van het wederzijdse observeren, de onderwijsbeschrijvingen als directe onderzoeksresultaten, de proefpersoon als waarnemer, de vrije produktie als criteriummaat, onderzoek vanuit het standpunt van de onderwijzeres voor de klas.
p. 208
Ongelooflijk, en dat is niet als een compliment bedoeld. Ik wil naar aanleiding van deze vreugdeloze analyse toch ook eens nagaan in welke publicaties er gebruik wordt gemaakt van dit onderzoek van Van den Brink.
S. Kemme (1990). Uitleggen van wiskunde. [nog niet gezien]
Rijkje Dekker (1991). Wiskunde leren in kleine heterogene groepen. [nog niet gezien]
Riemersma, F. S. J. Riemersma (1991). Leren oplossen van wiskundige problemen in het voortgezet onderwijs. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Amsterdam: Stichting Kohnstamm Fonds voor Onderwijsresearch. isbn 9068133063
Frans van Mulken (1992). Hoofdrekenen en strategisch handelen. Het gevarieerd gebruik van twee grondvormen van optellen en aftrekken tot honderd. Proefschrift Universiteit Leiden.
M. K. van der Heijden (1993). Consistentie van aanpakgedrag. Een procesdiagnostisch onderzoek naar acht aspecten van hoofdrekenen. ProefschriftLeiden. Handelseditie: Swets & Zeitlinger. pdf van Voorwoord - Inhoud - Samenvatting - 8.Discussie en conclusies - 9.Epiloog, pdf summary
K. Gravemeijer (1994). Developing realistic mathematics education. Freudenthal Institute.
T. F. W. P. Willemsen (1994). Remediële rekenprogramma’s voor de basisschool: Een effectstudie. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen.
M. van den Heuvel-Panhuizen (1996). Assessment and realistic mathematics education. CDβ Press. [online beschikbaar]
H.A.A. van Eerde (1996). Kwantiwijzer. Diagnostiek in rekenwiskundeonderwijs. proefschrift. Zwijsen.
Harriet Johanna Vermeer (1997). Sixth-Grade Studnets’ Mathematical Problem-Solving Behavior: Motivational Variables and Gender Differences. Dissertation Leiden University. pdf 1 Mb
Berend P. Stellingwerf (1997). Learning the rules of the game. Strategies in teaching arithmetic word problem solving. Proefschrift Nijmegen.
Geeft natuurlijk een literatuuroverzicht, waar ik een paar titels uit heb genoteerd. Gericht op leerlingen met leerproblemen. Wat me niet bevalt aan dit onderzoek: ongeveer alles gebruikt woordproblemen (redactierekenen) met Marie die drie appels heeft en Piet die er vier heeft enzovoort en zo verder. Dat soort redactiesommen moet gewoon weg, maar dat is niet de stelling van dit proefschrift. Het kan natuurlijk wel nuttig zijn onderzocht te zien waar leerlingen zelfs bij deze eenvoudige opgaven over struikelen, dat geef ik toe. Het gaat ook niet om redactierekenen als eindstadium, maar juist als stap om leerlingen tot het begrijpen van abstracte sommen te brengen. Ook onderzocht: “het effect van semantische en niet-semantische structuurkenmerken van redactieopgaven” (maar dit verwijst naar onderzoek van De Corte en Verschaffel, daar kan ik het maar beter bij houden)
A. S. Klein (1998). Flexibilization of mental arithmetic strategies on a different knowledge base. The Empty Numberline in a Realistic versus Gradual Program Design. Freudentaal Instituut. [nog niet gezien]
J. H. F. M. Klep (1998). Arithmeticus. Simulatie van wiskundige bekwaamheid. Computerprogramma’s voor het generatief en adaptief plannen van inzichtelijk oefenen in het reken-wiskundeonderwijs. Zwijsen. Proefschrift.
E. de Moor (1999). Van vormleer naar realistische meetkunde. Een historisch didactisch onderzoek van het meetkundeonderwijs aan kinderen van vier tot veertien jaar in Nederland gedurende de negentiende en twintigste eeuw. Freudenthal Instituut: Utrecht.. [nog niet gezien]
Taatgen, N. A. (1999). Learning without limits: from problem solving toward a unified theory of learning. Doctoral Dissertation, University of Groningen, The Netherlands. abstract
B. Zwaneveld (1999). Kennisgrafen in het wiskundeonderwijs. [nog niet gezien]
J. Menne (2001). Met sprongen vooruit. Een productief oefenprogramma voor zwakke rekenaars in het getallengebied tot 100 — een onderwijsexperiment. Freudenthal Instituut. [nog niet gezien]
M. van Groenestijn (2002). A gateway to numeracy. A study of numeracy in adult basic education. CD-β Press. [nog niet gezien]
Van een aantal dissertaties uit de Freudenthal-groep over realistisch reken- en wiskundeonderwijs — Menne, Keijzer, van den Boer, van Ameron, Bakker, Drijvers en Van Groenestijn — zijn samenvattingen bijeengebracht door Koeno Gravemeijer in een boekje waarvan ik niet kan achterhalen wat het precies voorstelt, maar ik heb een versie op www gevonden: html
bewaard als "6 Design Research In Statistics Education"
Evertje Helena Kroesbergen (2002). Mathematics education for low-achieving students. Effects of different instructional principles on multiplication learning. Dissertation Universiteit Utrecht. pdf (niet genoemd in rapport-Lenstra, wel een later onderzoek samen met Van Luit en Maas, 2004, abstract)
B.A. van Amerom (2002). Reinvention of early algebra. Developmental research on the transition from arithmetic to algebra. Freudenthal Institute. [nog niet gezien]
[Dissertatie P. Vos, besproken door Rijkje Dekker (2001). Nieuwe Wiskrant, 22(4), 20. [nog niet gezien]]
P. H. M. Drijvers (2003). Learning algebra in a computer algebra environment. Universiteit Utrecht. CD-β Press.
R. Keijzer (2003). Teaching formal mathematics in primary education. Fraction learning as mathematising process. Vrije Universiteit van Amsterdam. [nog niet gezien, eerst het proefschrift van Bruin-Muurling maar eens bestuderen]
C. J. E. M. van den Boer (2003). Als je begrijpt wat ik bedoel. Een zoektocht naar verklaringen voor achterblijvende prestaties van allochtone leerlingen in het wiskundeonderwijs. CD-β Press. pdf
Dekker, R. (2003). Boekbespreking [Dissertatie P. Vos]. Nieuwe Wiskrant, 22(4), 20.
A. Bakker (2004). Design research in statistics education. On symbolizing and computer tools. Universiteit Utrecht. CD-β Press.
Rudolf Timmermans (2005). Addition and subtraction strategies: assessment and instruction. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, 2005. pdf van de samenvatting (Nederlands).
L. M. Doorman (2005). Modelling motion: from trace graphs to instantaneous change. Universiteit Utrecht. CD-β Press. pdf
Joanneke Prenger (2006). Taal telt! Een onderzoek naar de rol van taalvaardigheid en tekstbegrip in het realistisch wiskundeonderwijs. Proefschrift.
Iris van Gulik-Gulikers (2006). Meetkunde opnieuw uitgevonden; een studie naar de waarde en toepassing van de geschiedenis van de meetkunde in het wiskundeonderwijs. Proefschrift.
Sacha la Bastide-van Gemert (2006). “Elke positieve actie begint met critiek” Hans Freudenthal en de didactiek van de wiskunde. Proefschrift Groningen pdf
Monique Pijls (2007?). Collaborative mathematical investigation with the computer: learning materials and teacher help. proefschrift.
Kees Buijs (2008). Leren vermenigvuldigen met meercijferige getallen. Proefschrift. download pdf
Willy Oonk (2009). Theory-enriched practical knowledge in mathematics teacher education. Proefschrift Universiteit Leiden (promotoren: Verloop en Gravemeijer). pdf
Fenna Tinia van Nes (2009). Young Children’ Spatial Structuring Ability and Emerging Number Sense. Proefschrift Utrecht. FI. Promotoren: J. de Lange & E. H. F. de Haan. Co-promotoren: L. M. Doorman, H. A. A. van Eerde & J. Nelissen. (Met Nederlandse samenvatting)
Een door-en-door ‘realistisch’ onderzoek, NWO-gesubsidieerd (dat weer wel). Ik ben beniuewd of dit kwalificeert als behoorlijk onderzoek, ondanks de aankondiging dat het gaat om ‘design-research’.
G. Bruin-Muurling (2010). The development of proficiency in the fraction domain. Affordances and constraints in the curriculum. Technische Universiteit Eindhoven. abstract [de volledige tekst is (nog?) niet online beschikbaar]
Angeliki Kolovou (2011). Mathematical Problem Solving in Primary School. Universiteit Utrecht. pdf
Sanne van der Ven (7 juli 2011). The structure of executive functions and relations with early math learning. Universiteit Utrecht. Igitur, pdf
Ik heb de Nederlandse samenvatting gelezen: dit lijkt mij een degelijk onderzoek, deugdelijk theoretisch kader. Het onderzoek vindt plaats met leerlingen in groep drie en vier, die rekenonderwijs krijgen van realistische snit. Het onderzoek zegt dus ook iets over dat realistiche rekenonderwijs, maar dat gebeurt als een zijlijn, en ik heb de indruk dat Van der Ven wijselijk geen uitspraken doet die voor de Freudenthal-groep provocerend zouden kunnen zijn. Ik ben werkelijk heel benieuwd naar dit onderzoek, en zal op korte termijn de volledige tekst moeten bestuderen.
Marian Hickendorff (25 oktober 2011). Explanatory latent variable modeling of mathematical ability in primary school. Crossing the border between psychometrics and psychology. Proefschrift Universiteit Leiden, eigen uitgave.
Christian Bokhove (12 december 2011). Use of ICT for acquiring, practicing and assessing algebraic expertise. Proefschrift Universiteit Utrecht. pdf van het hele proefschrift hier ophalen [NB: de foute formules op p. 98 en 144 (wortel u moet wortel nu zijn) zijn opgenomen in de errata]
Voor uitvoerige aantekeningen bij dit proefschrift: zie benwilbrink.nl/literature/bokhove2011.htm.
Irene van Stiphout (15-12-2011). The development of algebraic proficiency. Technische Universiteit Eindhoven.
Jean-Marie Kraemer (20-12-2011). Oplossingsmethoden voor aftrekken tot 100. Technische Universiteit Eindhoven. pdf
Gerrit Roorda (9-3-2012). Ontwikkeling in verandering. Ontwikkeling van wiskundige bekwaamheid van leerlingen met betrekking tot het concept afgeleide. Rijksuniversiteit Groningen.
Roorda is wiskundige, leraar wiskunde geweest, en lerarenopleider nu. Het proefschrift is een soort micro-onderzoek naar het leren en kunnen toepassen van het begrip afgeleide. Mijn hoop is dat het geen stuurloos ontwikkelingsonderzoek is, een hoop die is gebaseerd op zijn hoofdstuk 2, het theoretisch kader. Ik kom daar weliswaar zaken tegen die ik herken uit werk van Van Streun en die op mij wonderlijk en irrelevant overkomen, maar Roorda heeft zich mogelijk breed genoeg georiënteerd in de psychologie. Ik ben dus wel benieuwd, maar ja, het is een fors proefschrift en zal dus enige leestijd vergen. Ik ben ook benieuwd naar de uitwerking van wat nu ‘wiskundige bekwaamheid’ is.
Greet Peters (einddatum: 2012). Het gebruik van de indirecte optelstrategie door kinderen. Katholieke Universiteit Leuven web
Tinne Dewolf (einddatum: 2014). Upper elementary school children’s realistic considerations when solving mathematical application problems. Katholieke Universiteit Leuven. web
Empirisch onderzoek zoals dat veertig jaar geleden door het IOWO gedaan had moeten worden. Ik heb hier hoge verwachtingen van. In de korte beschrijving van Dewolf geeft de eerste zin de bite van dit onderzoek weer.
Research shows that primary school pupils tend to exclude realistic considerations when solving mathematical word problems. The purpose of my PhD is to examine the beliefs and expectations of pupils (and teachers) when they solve mathematical word problems in the mathematics class. I will also examine which interventions increase pupils’ realistic considerations (e.g., presenting word problems in a different context, accompanying problems with illustrations)
blz. 219, de laatste alinea van 4.3 verantwoording
Een promovendus die het eigen promotieonderzoek zo te kijk zet als Treffers hier op p. 219 doet, is een zeldzaamheid. In al zijn naïviteit eigenlijk ook wel eerlijk. Maar het begin — het voorwoord — is wel heel onthutsend:
De publikatie ’wiskobas doelgericht’ geeft weer, welke doelstellingen wiskobas met dit wiskundeonderwijs voor ogen heeft en op welke wijze die doelstellingen beschreven kunnen worden.”
blz. 2 Ten geleide bij het wiskundewerk. (= wiskundewerk voor de basisschool; lessen dus?)
En inderdaad, in dit proefschrift is er voortsurend sprake van wiskundeonderwijs, waar rekenonderwijs is bedoeld. Dat draagt aan de leesbaarheid van de tekst niet bij. Zo zijn de iowo-medewerkers in ‘de exploratiefase’ druk met het lezen van wiskundeboeken. Waarschijnlijk zijn dat boeken over rekenonderwijs??
Hoofdstuk1 is inleiding, zoals over wiskobas. Het is een verhaal dat niet op enig theoretisch kader aansluit. Op bladzijde 18 nog maar eens: “In het vervolg van deze publikatie zl het door wiskobas voorgestane wiskundeonderwijs uitgebreid toegelicht worden.” Dit is geen proefschrift, maar een pamflet ter promotie van ongetoetste Utrechtse ideeën over rekenonderwijs. Ik hecht eraan om rekenonderwijs rekenonderwijs te blijven noemen.
blz. 18
Het gebruik van uitgebreide contexten zoals ‘gulliver’ (wiskundewerk I) is verre van vanzelfsprekend. Ze zijn ongetwijfeld in de praktijk van proefscholen uitgeprobeerd en ontwikkeld, maar dat is op geen enkele manier een onderbouwing van didactisch nut en noodzaak van deze contexten. Ik ben dus benieuwd wat Treffers op dit punt heeft te melden, al weet ik al dat er geen empirisch onderzoek is gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van dit didactisch rekeninstrumentarium. Treffers legt uit (blz. 19) voor ‘gulliver’ “na de eksploratie in de wiskundig gkleurde realiteit vindt een terugkoppeling naar de realiteit van alledag plaats. Zo leidt het onderwijs in het geval van ‘gulliver’ naar biologische en fysische vraagstukken.” Voor leerlingen in groep zes! Ik had daar toch graag een klein maar glashelder toetsend onderzoek op gezien, geen ontwikkelingsonderzoek.
Ik mis in dit inleidende hoofdstuk een verwijzing naar een serieuze rekendidactiek, juist in deze beginjaren van wiskobas, zoals Goffree, A. A. Hiddink & J. M. Dijkshoorn (1970), maar ook de wiskundedidactiek van Wansink (1966, 1967, 1970) is aan de aandacht van Treffers ontsnapt.
De sectie 1.3 wiskobas in vierstromenland, positioneert wiskobas ten opzichte van vier stromingen in het rekenonderwijs, zoals dor Treffers benoemd: de empirische, de strukturele, de aritmetische en richting, en het vigerende rekenonderwijs. Treffers houdt van het maken van categorieën, ik zal daar geduld mee moeten hebben. Maar de behandeling van een en ander is oppervlakkig, en zo kan het gebrueren dat wiskobas van iedere stroming wel dingen meeneemt. Maar zo kan dat toch niet, en dat vindt Treffers ook: de volgende sectie 1.4 behandelt de innovatie van wiskobas.
Treffers begint dan met de innovatiestrategie van wiskobas uit te sluiten van zijn behandeling, omdat deze strategie elders al is beschreven: Curriculum deveopment. A strategy. p. 351-362 in Educational Studies in Mathematics, 1976, vol. 7 (3), themanummer Five years IOWO. On H. Freudenthal’s retirement from the directorship of IOWO.
blz. 27
Treffers herhaalt deze boodschap talloze malen, maar dat maakt de boodschap natuurlijk niet overtuigender. Want dit wiskobas is, wat ‘Gulliver’ betreft, bedoeld voor groep zes, en de leerkrachten die voor groep zes staan. Hoe denkt Treffers dat de leraren in het basisonderwijs in staat zijn om dit onderwijs te geven? Ik begrijp daar eigenlijk alleen van dat leerkrachten die enthousiast hebben meegewerkt met het wiskobas-team of in het wiskobas-team, gedacht moeten hebben dat zij dit zelf in ieder geval wel aankonden. En dat zij kennelijk niet het levensgrote probleem op zagen doemen dat al die aandacht voor wiskundig bezig zijn — op menselijke wijze — ten koste gaat van tijd om zich basale rekenvaardigheden eigen te maken, precies de vaardighedn die nodig zijn om straks het wiskundeonderwijs in het vo te kunnen volgen.
Dan komt de crux van de Inleiding: 1.5 probleemstelling. Ik zal het zo kort mogelijk aangeven. Het probleem dat Treffers zegt te onderzoeken, is hoe doelstellingen voor wiskobas te formuleren zoda ze begrijpelijk zijn voor wie geen kennis heeft van of affiniteit tot het rekenen zoals wiskobas dat voorstaat.
Ik heb hier een vreemd gevoel bij. Het is toch niet de bedoeling van Treffers om de wereld bewust te misleiden over wiskobas? Tegenover het probleem dat Treffers gaat oplossen, stel ik mijn probleem: is Treffers uit op misleiding? Misleiding is: de zaken bewust mooier voorstellen dan ze zijn, bijvoorbeeld door de kosten of negatieve neveneffecten buiten beeld te houden. Is deze achterdocht terecht? Wie deze sectie 1.5 leest, kan niet aan de indruk ontkomen dat het de Freudenthal-groep niet is te doen om beter rekenonderwijs, maar om een heel ander rekenonderwijs, dat onder via een overtuigende doelformulering aan de man moet worden gebracht. Dat is geen wetenschappelijke attitude van de Freudenthal-groep, as ik het zo mag zeggen (ik verwijs hier naar het citaat uit de rede van HF bij zijn eredoctoraat aan de UvA, over de attitude van onderwijzers die rekenlessen geven).
Treffers komt met tal van varianten, is hier hardop aan het nadenken, wat het er allemaal niet duidelijker op maakt. In ieder gaval wil hij iets heel ongebruikelijks met doelstellingen doen, en hij denkt daarmee aan het internationale onderzoek rond doelstellingen een belangrijke bijdrage te kunnen leveren.
Nu waren de zestiger en zeventiger jaren de tijd van planning, ook in het onderwijs, en van doelenformuleringen. Ondertussen weten we dat papier geduldig is, de praktijk weerbarstig, en dat het formuleren van doelstellingen een ingewikkelde omweg naar goed onderwijs is. Maar dat is niet de reden waarom dit proefschrift anno 2011 nog steeds van belang is, want dat belang is dat het op belangrijke punten laat zien wat de startpositie is van de Freudenthal-groep waar het gaat om realistisch rekenonderwijs. Dat laatste heet bij Treffers in 1978 dus nog ‘wiskundeonderwijs’.
Aan het eind van dit hoofdstuk beschrijft Treffers de probleemstelling nog eens opnieuw:
Deze veronderstelling is in ons geval zeer reëel: wiskunde op de basisschool is een nieuw ‘vak’, de huidige en toekomstige gebruiker heeft er veelal geen opleiding in gehad en de inhoud van het wiskundeonderwijs is — vergeleken met het bestaande rekenonderwijs — ‘nieuw’. ‘Nieuw’, wat betreft de leerinhouden, de na te streven kennis, vaardigheden, inzichten en attitude van de leerling, alsook ten aanzien van de kennis, vaardigheden, izichten en matematische-didaktische attitude van de onderwijsgevende.”
p. 35
Het inleidende hoofdstuk heeft geleid tot een probleemstelling voor het onderzoek, of eigenlijk de beschrijving, van Treffers. Maar dat is gebeurd zonder via een verhaal over wiskobas en ander rekenonderwijs, niet in de vorm van een behoorlijk theoretisch kader. Dat is toch wel problematisch voor een proefschrift dat geen empirisch onderzoek behelst, maar een beschrijving van wiskobas wil geven in de vorm van doelstellingen.
Hoofdstuk 2 gaat over uitgangspunten van wiskobas. Dit zijn dan wel uitgangspunten die achteraf zijn bedacht. Het moesten er acht zijn dus het zijn er ook acht. Wat is dit voor wetenschap die Treffers bedrijft?
blz. 43
Kortom: we vinden in dit hoodstuk acht ideetjes van Treffers. Ik zal ze dan maar kort proberen op te sommen, en er verder zo weinig mogelijk woorden aan vuil maken.
En zo kan ik er nog wel meer bedenken. Laten we zien hoe Treffers die invult.
aktiviteit
p. 44
Maar dat kan natuurlijk niet. Ofwel er zijn geen observaties nodig, of ze zijn wel nodig, en dat moet dat behoorlijk worden uitgevoerd en gerapporteerd; ook hoe de observaties zijn geselecteerd, bijvoorbeeld. Zo losjes als hier gebeurt, is onaanvaardbaar. Maar ja, dit is ontwikkelingsonderzoek, nietwaar?
F. Goffree, A. A. Hiddink & J. M. Dijkshoorn (1970). Rekenen en didactiek. Wolters-Noordhoff. vierde druk. zie rekendidactiek.htm
Joh. H. Wansink (1966, 1967, 1970). Didactische oriëntatie voor wiskundeleraren. Drie delen J. B. Wolters. zie rekendidactiek.htm
Eerdere publicaties:
Dit proefschrift is inhoudelijk voor mij van belang, omdat het voortdurend betrokken is op het gedachtengoed van de Freudenthal-groep, in contrast ook tot dat van andere theoretici op rekengebied (vooral Resnick). Willemsen gaat iets te makkelijk mee met dat realistisch denken, alsof het zou gaan om een theorie die een behoorlijke empirische basis heeft (bv. de vele verwijzingen naar deel 2, de Proeve, van Treffers en De Moor, 1990).
Het gaat om empirisch onderzoek in de ware zin van het woord, dat is mooi. Het gaat om zwakke rekenaars en hun misvattingen en problemen met optellen en aftrekken: heel overzichtelijk dus, en uitstekend geschikt om contrasterende theorieën over rekenonderwijs tegen elkaar te toetsen.
Ik heb een scan gemaakt van dit proefschrift: wie dat wil hebben: mail mij. (8 stevige bestanden)
Leerkrachten rapporteren dat ongeveer 17% van de leerlingen uit het basisonderwijs met rekenproblemen kampen. Dit percentage wordt zowel voor de lagere als de hogere leerjaren genoemd (Span, Abbring & Meijer, 1985; Wijnstra, 1988; Harskamp & Willemsen, 1991).
blz.1
eigen oplossingsmethoden: algoritmen.htm
blz. 1
Willemsen begint zijn proefschrift bepaald minder gelukkig, door zich mee te laten slepen door claims uit publicaties uit de Freudenthal-groep. Ik geef een paar voorbeelden. Als Willemsen dan, ondanks deze vooringenomenheid, in zijn onderzoek de tekorten van de realistische rekendidactiek boven water kan krijgen, is die vooringenomenheid in zekere zin heel funcitoneel gweest. Ik ben benieuwd.
Het rekenonderwijs bestaat vaak uit het demonstreren van standaardoplossingsprocedures, die de leerlingen nadoen. De standaardoplossingsprocedures worden nauwelijks inzichtelijk gemaakt voor de leerlingen.Bij een fout in de uitvoering van een procedure wordt een deel van de procedure nog eens herhaald onder het motto ‘niet zo, maar zo’. Door dit zware accent op het voordoen en nadoen van standaardoplossingsprocedures kunnen de verschillende leerstappen van de leergang i het rekenonderwijs elkaar snel opvolgen, waardoor de leerling al met een volgende leerstap aan de gang gaat terwijl de vorige leerstappen nog niet worden beheerst.
Willemsen, 1994, blz. 2
Het is mij niet duidelijk wat Willemsen hier beweert: vat hij samen wat hij vindt in de literatuur? Hij noemt: Nelissen, 1977; Van Eerde & Verhoef, 1978; Vedder & Koster, 1983; Treffers & De Moor, 1990. Willemsen laat zich hier makkelijk op sleeptouw nemen door de ronkende publicaties van de Freudenthal-groep:
Op basis van nieuwe vakinhoudelijke en vakdidactische inzichten zijn in de tachtiger jaren een aantal moderne reeknmethoden verschenen. Deze methoden zijn gebaseerd op de realistische rekendidactiek, waarbij veel nadruk wordt gelegd op voor kinderen interessante thema’s en waarbij oplossingsstrategoeën van leerlingen een centrale plaats innemen.
Willemsen, 1994, blz. 2
Willemsen ziet in 1994 niet dat de realistische rekendidactiek een ideëele rekendidactiek is, die een behoorlijke wetenschappelijke/empirische basis mist. Erger nog: de mislukking is tevoren al weggeredeneerd:
Men kan stellen dat leerkrachten, ondanks het feit dat er op school een realistische rekenmethode aanwezig is, toch tamelijk mechanistisch werken.
Willemsen, 1994, blz. 3
Dat kan Willemsen dan wel stellen, maar ik heb die stelling nog nimmer onderbouwd gezien met empirisch bewijs.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
http://www.benwilbrink.nl/projecten/promotieonderzoek.htm